Netwerk

Iedere vakantie in Zweden is een verademing. Ons huis ligt aan een meer midden in een natuurgebied dat door zijn donkere naaldbossen met sporen van elanden en wolven meer Noors dan Zweeds lijkt. Er is geen permanente bewoning om ons heen, en de ergste geluidsoverlast wordt veroorzaakt door een troep Canadese ganzen die het ergens over oneens is, of door de plets van de platte staart van een bever in de schemering. Via een trap kom je snel genoeg van het huis bij de steiger, en weer terug om bij de haard je lijf te laten tintelen na een duik in het kille, rinkelende water. Het huis is niet groot, maar als je elkaar graag mag, is het ruim genoeg om met twee gezinnen vakantie te kunnen houden. Luxueus is het ook niet. Maar het heeft wat van vakantie vakantie maakt. Informatie technologie is nog niet doorgedrongen in het diepe woud.

Na de laatste snijbeurt in ons budget, toen ik twee overtollige mobielabonnementen eindelijk heb opgezegd en mijn huidige van al het vet ontdaan, ben ik al sinds De Brug zonder netwerk. Maar eenmaal bij ons huis aangekomen, na die laatste anderhalf uur die de auto vanzelf rijdt, over het weggetje vanaf het vroegere melkhuisje naar links, dan over het bruggetje en in de bocht het bos in waar een bord staat dat dat zonder toestemming niet mag, over het eerste stuk gruisweg dat altijd bedrieglijk ongelijk is zodat de etenswaren in de achterbak soms een omeletje maken tegen het plafond, over de eerste steile helling die door ons tijdens het hardlopen de Mont Ventoux wordt genoemd, na de twee kilometer slingeren tot aan het meer dat ons het paradijs voorspiegelt, en na het laatste sprintje dat onmiddellijk gevolgd wordt door een verraderlijke bochtje rond het huis, als we uit de auto springen en onze reisbenen strekken door het te hoge gras, is iedereen in ons uitgedunde gezin zonder contact met de boze buitenwereld. De mobieltjes worden wel hoopvol opgeladen, maar alleen nog maar af en toe gebruikt in het ‘internetcafé’: bij een houten hutje op de top van de berg achter het huis, waar je, als je rechtstandig omhoog springt terwijl je op de zendknop drukt, één streepje netwerk vangt.

Niemand mist zijn telefoon als wij met vakantie zijn. Niemand mist zijn Facebook, en niemand mist zijn Netflix. Er worden boeken gelezen, er wordt muziek gemaakt, er wordt gekookt en gebakken en als er een borrel wordt geschonken bovendien ook nog met elkaar gepraat. Het is best gezellig allemaal aan de rokken van Moeder Natuur.

Wij hebben het huis vijftien jaar geleden gekocht van een man die nog steeds met zijn vrouw in het dorp aan de bosrand woont. Hij heet Sture. Wij vinden dat een stoere Zweedse naam, maar hij heeft ons wel eens toevertrouwd dat hij vroeger altijd liever ‘Jim’ wilde heten. De Zweden hebben een fetisj gemaakt van Amerikaanse rock ’n roll. Vooral de generatie van Sture. Hij is opgegroeid in het kleine dorpje, waar twaalf huizen staan en waar een riviertje doorheen loopt waarin je ‘s zomers forel kunt vangen. Als je nu, in de winter, het bos uitrijdt, ligt het als een Seasons-kaart voor je: de rood-houten huisjes met ieder hun veranda, wat dito schuren, de IJslandse paarden die hun adem in tunneltjes voor zich uitblazen, de kale berken bij het bruggetje. Sture woont met zijn vrouw in zijn ouderlijk huis. Het is het meest romantische huis dat ik ooit heb bezocht. Hoewel de woonkamer een beetje is aangetast door bizarre naoorlogse Zweedse tuttigheid, is de rest van het huis nog vrijwel in originele staat. De grote deur die vanuit de met wit houtsnijwerk versierde veranda toegang geeft tot de knarsende houten vloeren van de opgang. De massieve wenteltrap naar boven. De ronde tegelhaard met zijn koperen klapdeurtjes in de woonkamer. De vele vierkante ruitjes van de serre aan de flank van het huis, waar wij ons in de zomer tegen de muggen verschuilen als we zijn uitgenodigd voor pulled pork. De keuken, in die prachtige Zweedse kleuren, met in het centrum het oude, gietijzeren fornuis met zijn ronde deksels, dat nu gebruikt wordt als kachel om vlees te drogen en billen te warmen. Dat doen wij nu, als we uit de sneeuw zijn binnengekomen voor het avondeten. Er staat een dieprode kast langs de muur, waarin de vrouw van Sture de middelste plank heeft ingericht als poppenhuis met meubeltjes en poppen die ze destijds op zolder gevonden heeft. Het is je reinste Carl Larsson, of, voor de nauwelijks Zweden-kenners onder U, Bolderburen. Ze laat ons de popjes zien. De kleinkinderen zijn geweest en hebben de boel gemoderniseerd, lacht ze. Ze lacht veel. Uit de knuistjes van één van de popjes peutert ze een dubbelgevouwen velletje karton. Er staat een appeltje op de buitenkant. Nu schatert ze: “Een laptop!”

Er schiet me iets te binnen. “Kan ik van jullie computer even wat kaartjes printen?” vraag ik. Wij hebben kaartjes voor een concert in Kopenhagen, die ik thuis heb laten liggen, omdat ik toch gewend ben dat ik altijd en overal online kan komen. Het blijkt maar heel gedeeltelijk te kunnen. De kleinkinderen hebben in de kerstvakantie een gummetje in de printer gestopt, en nu doet ‘ie het niet meer. Ik moet denken aan een oude Youp-sketch, “Videorecorder heeft ook honger”. Sture vindt het gummetje grappig zonder de sketch te kennen. “Je kunt ze op een stick zetten en straks even naar Kaj lopen. Daar kan je zoveel printen als je maar wilt. Zelfs in 3D.” Zijn stem verraadt dat hij liever stoute kleinkinderen heeft dan 3D concertkaartjes. Van de vier broers is hij de enige met een gezin. Met Kerst waren alle broers en alle kinderen er, en zijn oudste broer was Jultomte. Zo delen ze het familiegeluk. Maar ze delen ook een passie voor technologie. Alle broers hebben iets met bouwen. Dat hebben ze van hun vader geërfd samen met een houtzagerij, die nu tot hun grote schaamte en ergernis staat weg te rotten aan de bosrand. Ze hebben allemaal een technische opleiding. Twee van de vier hebben hun hele leven bij Saab gewerkt. Totdat. Het was een strop in deze omgeving.

Voor de koffie lopen we naar Kaj. Het is donker in zijn huis, maar in de schuur, die wel wat weg heeft van het gebouwtje waar Emil zichzelf altijd opsloot ter bescherming tegen de woede van zijn vader, brandt nog licht. Daar binnen staat Kaj ingespannen te turen op een grote display die vast zit aan een grijs-metalen machine, waarin achter een glasplaat een stalen voorwerp bewerkt wordt door een boortje aan een volautomatische computer-geprogrammeerde arm. Ik kijk ongelovig om me heen. Er staan hier minstens vijf hoogtechnologische apparaten, die wat mij betreft net zo goed teletijdmachines als kernreactoren zouden kunnen zijn. Er zijn knopjes, lampjes en displays. Het zoemt, bromt, suist en zuigt. Kaj draait zich naar ons toe en schuift zijn leesbril op zijn voorhoofd. Hij excuseert zich dat we even moesten wachten. Hij is bezig met een prototype voor iets in de olie industrie. Als hij uitlegt wat het is, wijt ik het maar aan mijn gebrekkige Zweeds dat ik het niet begrijp. Hij moet het dingetje volgende week naar de Verenigde Staten vliegen. Bij de deur trekt hij zijn klompen aan, en we lopen samen door de sneeuw naar zijn huis. Even later heb ik, nog steeds wat beduusd, vier A4-tjes in mijn hand. We bedanken en zeggen dat de koffie wacht.

“Gelukt?” vraagt Sture zonder benieuwd te lijken naar het antwoord. Natuurlijk. In Zweden overleef je prima zonder netwerk.

Netwerk