Verzustering

Ze is veel aardiger dan ze eruit ziet. De vorige keer dat ik haar ontmoette, op de conferentie in Nyborg, leek ze koel en ongenaakbaar. Blond. Lang. Slank. Mooi. Alles wat ik niet ben. Duits. Echt Duits, vond ik toen. Nu zitten we in de U-bahn samen na de tweede dag met onze leerlingen op de Hamburgse conferentie van Model United Nations, het rollenspel waarin jonge mensen het hele besluitvormings- en wetgevingsproces van de Verenigde Naties naspelen, gekleed als diplomaten, in de taal van diplomaten, en met het geduld, de beleefdheid en ook de wedijver die daarbij horen.

Het is een zware dag geweest voor de kinders, vinden wij. Aan de grauwige weerspiegeling van onze gezichten in het grote raam, waarachter de wand van de donkere tunnel voorbij raast, is af te lezen dat dat ook voor ons geldt. We spreken Engels, en zijn het erover eens dat dat toch eigenlijk wonderlijk is.

De leerlingen van mijn school hebben zich al maanden voorbereid. Ze doen mee als delegaties van Duitsland (!) en Ierland, en zullen in de komende dagen in Comités en Raden lobbyen, debatteren en wetgeven over zaken including, but not limited to de veiligheid in Somalië, maatregelen tegen militante Islamitische groepen in West-Afrika, de preventie van seksueel overdraagbare ziekten, de verantwoordelijkheid van vroegere koloniale grootmachten, het commerciële gebruik van drinkwater, het voorkomen van dodelijke ongelukken bij illegale immigratie, en de toegang tot het internet als mensenrecht.

Vanochtend kregen wij een rondleiding door de stad. De gemoderniseerde Hafencity straalde zelfverzekerdheid, welvarendheid en veiligheid uit. Bovendien was het er, ondanks de robuuste en af en toe iets pompeuze gebouwen, gezellig. We liepen over bruggen en langs kades, en snoven de ijzerachtige frisheid van najaar aan het water in. De adem van de stad was rustig, maar krachtig. Onze gids, een meisje van de school, las voor van een manuscript. De informatie over het raadhuis kwam waarschijnlijk regelrecht van Wikipedia. Maar omdat haar glimlach tegelijk schalks en verlegen was, en ze me daarom enorm aan mijn jongste nichtje deed denken, vergaf ik het haar, hoewel ik zeker wist dat mijn nichtje de teksten zelf zou hebben geschreven, en waarschijnlijk ook nog uit haar hoofd geleerd. Eén van mijn leerlingen vroeg waar de wapens in de gevel van waren. Lichte paniek straalde uit haar ogen. Ze beaamde opgelucht mijn suggestie van Hanzesteden. De banden van weleer. We zoeken het op, beloofden we elkaar.

Toch brengt het Engels iets interessants naar boven als je over onze nationaliteiten nadenkt, zeg ik tegen mijn collega. ‘Nederlands’ heet immers nog altijd Dutch. Ik vertel haar over de met regelmaat wederkerende commotie over ons volkslied, dat het Duitse bloed als Nederlandse deugd bezingt. Ik vraag haar of ze weet dat hermanos in het Spaans ‘broeders’ betekent. Ik zie een mengeling van blijdschap en melancholie in haar staalblauwe ogen.

Terwijl de leerlingen zich met de verbroedering der naties bezig houden, zitten hun leraren en begeleiders in de bibliotheek. Wij zijn het control panel. De eerste dagen zijn voor de leerlingen gemoeid met het schrijven van resoluties, waarover later in de comités gedebatteerd zal worden. Wij moeten die nakijken op vorm- en taalfouten vóór ze op de tafel van de Chairs belanden.

Een andere Duitse collega vertelt dat ze ‘eigenlijk’ geen Duitse is. Ze komt uit Roemenië. Ze kan zich het vorige regime herinneren. Hoe haar grootvader, die toen al in de tachtig was, in de rij stond voor schoenen voor zijn kleinkinderen. Hoe ze geen uitreisverbod kregen nadat zij tijdens het spelen aan haar buurmeisje had verteld dat ze op vakantie gingen naar Duitsland, en dat ze daar best zou willen blijven. Haar ouders wonen nog steeds in Roemenië. Skype is een zegen. Als ik eens in Augsburg ben, kan ik bij haar slapen.

De Poolse collega’s trakteren op chocolaatjes. Er zitten pruimen in. Ik vind het nog te vroeg voor snoep, en zie de teleurstelling in de ernstige ogen van Janosz. Zijn Engels is kreukvrij. Ook hij heeft het pas op latere leeftijd geleerd. “Ik haatte Russisch,” zegt hij. “Ik heb na ’91 nooit meer een woord Russisch gesproken.”

De Zuid-Spaanse school heeft een wat oudere begeleidster die eruit ziet als een echte lerares. “I’m British,” zegt ze desgevraagd. En inderdaad hoor ik dat ze zich heeft aangeleerd haar accent te verbergen. Toen zij vertrok uit Groot Brittannië was Schots nog geen aanbeveling om op een internationale school Engels te komen doceren. Ze woont in Gibraltar. Daar zijn meer kilometers tunnel dan weg, vertelt ze. De dertigduizend mensen wonen als een randje slagroom rond een enorme rots op een oppervlak van twee bij vier kilometer.

Mijn Duitse collega moet twee haltes eerder uit de trein dan ik. Nadat ze is opgestaan, pakt ze nog even mijn hand. Mijn weerspiegeling ligt even bijna precies over haar gezicht als ik naar haar zwaai. Ik leun mijn hoofd achterover en sluit mijn ogen. Om me heen wordt nog levendig gepraat en ik moet toegeven dat ik ondanks mijn spreekblokkade alles versta. Als ik mijn ogen weer open doe, valt het me op dat niemand van de lustige kletsmajoren een Arisch uiterlijk heeft. Ik denk aan Denemarken, mijn woonplaats en bijna mijn thuisland.

Good for you, Germany,” denk ik waarschijnlijk in het Engels.

Alle Menschen werden Brüder.

 

 

Verzustering

B

Pas twee weken nadat ik de gemeente een e-mail heb gestuurd krijg ik antwoord. Ik had geschreven in een moment van bezonnen inspiratie. Ik had genoeg van alle Facebook postjes, de likes en gedeelde trieste foto’s. Ik begon me steeds huichelachtiger te voelen, en uiteindelijk was er geen houwen meer aan. Natuurlijk had ik het overlegd met mijn man. Zoals voor veel van mijn ideeën was hij ook deze keer positief. Maar het duwtje kwam uit onverwachte hoek.

Ongeveer een half jaar geleden kwam het tweede boek uit van de Amerikaanse schrijfster Harper Lee. Jawel, die van To Kill a Mockingbird, dat in 1960 in druk verscheen. De meeste mensen hebben die roman gelezen als deel van hun Engelse boekenlijst in de tijd dat het nog vooruitstrevend was daaronder ook Amerikaanse literatuur te rekenen. Ook ik herinner me de omslag van het boek als gedeeltelijke bedekking van het gezicht van de jongste zoon van de familie waarbij ik in huis woonde. Die lag daaronder steevast te snurken. Want het boek was wel aardig, maar te lang, vond hij. Dat het bovendien verplicht was, was geen aanbeveling. Toen de tweede roman van de nu hoogbejaarde schrijfster in het Deens was uitgekomen las ik de recensie. De journalist in kwestie is vaak genadeloos, maar in dit geval was zij onverdeeld positief. Aangezien het een vervolg betrof op het eerste werk, nam ik me voor dat dan eindelijk eens eerst te lezen.

Nu heb ik het uit. To Kill a Mockingbird is een prachtig boek. Eigenlijk had ik Stoner dit jaar op nummer één gezet, maar nu ben ik in twijfel. Pas na een derde van het verhaal blijkt het te gaan over rassendiscriminatie in het zuiden van de Verenigde Staten van het interbellum. Oh nee, niet weer, denk je. Maar ondanks dat dit onderwerp zowel te veel uitgemolken is als helaas nooit minder actueel lijkt te worden, is de invalshoek hier interessant. De lezer zit namelijk in het hoofd van een opgroeiend meisje, dat de problemen maar amper begrijpt en dat, zoals kinderen dat doen, de onbarmhartige en bekrompen gesprekken normaal vindt die met stemmen van tantes en buurvrouwen als flarden mist in de straat hangen. Wie de waarheid maar al te zuiver ziet is de vader van het meisje. Atticus is een goede, zij het weinig conventionele ouder. Zijn kinderen noemen hem bij zijn voornaam, en zijn dochtertje groeit op in overalls. Wanneer de burgerdeugden van goede tafelmanieren en geschikte conversatie aan de orde zijn, vraagt Atticus zich liever af wat zijn kinderen dan wél bezig houdt en hoe die vlekken in hun kleren zijn gekomen, dan zich te verontschuldigen voor het gezelschap. Respect eist hij wel, en wanneer zijn kinderen eindelijk de schellen van de ogen vallen en ze zien dat hun vader misschien wel een grotere held is dan de man die in één schot een hondsdolle hond neerlegt, hoeft hij daar in ieder geval voor hemzelf nooit meer om te vragen.

Als advocaat heeft hij de verdediging toegewezen gekregen van een Negro die beschuldigd is van verkrachting. Hij vindt dat zijn taak als opvoeder inhoudt zich als een goed mens te gedragen. Hij weet dat alleen “a” zeggen niet genoeg is om het tij te keren en zich los te maken van de goede mensen, die door niets te doen het kwaad laten triomferen. Hij weet dat als puntje bij paaltje komt om de i van integriteit te vormen, de rest van het alfabet moet volgen. Uiteindelijk gaat To Kill a Mockingbird niet over een man die zich zijn verantwoordelijkheid bewust is, maar over de verplichting die hij voelt om zijn kinderen de dreiging en de problemen aan te doen van de gevaren en nadelen die daarvan het gevolg kunnen zijn. Het verhaal loopt nogal Tom Sawyer-achtig af met een moordpoging in het donker, die verijdeld wordt vanuit een eigenlijk verwachte hoek.

Maar dat weet jij natuurlijk al sinds je eindexamenjaar.

De gemeente schrijft dat ze graag van mijn aanbod gebruik maakt. Ik moet mijn telefoonnummer sturen, dan nemen ze binnenkort contact op.

Er zijn natuurlijk duizend redenen om geen vluchtelingen in huis te nemen. De eerste is misschien wel, dat je kinderen je absoluut geen held vinden als je hun kamer aanbiedt als woonruimte voor anderen. Ze balen ervan dat ze hun hele jeugd, die aan punaises de schuine muren boven hun bed decoreert, moeten weghalen en in kartonnen dozen stoppen. “We weten dat het politiek niet correct is,” zeggen ze, “maar het is gewoon rete-irritant om je kamer te moeten ontruimen. En waar moet ik mijn zooi dan laten? En als ik mijn fiets wil pakken, moet ik dan buitenom? En heb je aan de wasmachine gedacht?” Voor hen is dit het zoveelste geval van de vermoeiende moeder, die zo nodig iets goeds moet doen, het meest nog om haar eigen geweten te sussen. De tweede is, dat het inderdaad lastig is. Er moeten nieuwe deuren komen. We kunnen onze oude kranten en lege flessen niet meer kwijt, en, nou ik erover nadenk, onze logés ook niet. De derde, dat het bedlinnen tussen de sportspullen in onze overvolle kledingkast moet worden gepropt, waar het de nimmer volprezen geur van appeltjes en een zonnige najaarsmiddag onmiddellijk zal verliezen. En dan staan straks die vluchtelingen ook nog sigaretjes te roken op mijn terras.

De goede reden om toch onderdak te bieden aan mensen die in een situatie verkeren die ze zelf niet gekozen hebben, is dat het leven daarom gaat. Als je niet deelt, ben je alleen.

Nu is het vrijdagavond aan mijn keukentafel. De dag loopt op zijn einde, het licht ligt gefilterd over de heg, en er wacht mij een avond met Netflix. Het tweede boek van Harper heet Go Set a Watchman. Het ligt op mijn nachtkastje.

B

Wandelmaand

Het regent in elk geval niet als ik opsta, de zaterdagochtend van ons wandelweekend, en dat is geen verkeerd begin. Tegen mijn slechte gewoonte in rijd ik zo vroeg weg dat ik zelfs mijn zoon, die zijn grote lijf snel op de valreep op de achterbank heeft gewurmd, nog op tijd voor zijn werk in de stad kan afzetten. De andere dames hebben voor koffie en accessoires gezorgd. Terwijl we rijden en kletsen zoals alleen vrouwen dat doen, bedenk ik hoe onze bijdragen aan dit wandelweekend ons tekenen. Ik heb mijn zaken meestal veel te optimistisch gepland, maar zorg ervoor dat iedereen gemobiliseerd wordt, en dat we er komen. S. heeft twee thermosjes mee: één gevuld met koffie mèt melk; één met zonder. Bovendien heeft ze opvouwbare kopjes opgevouwen ingepakt, slechts twee, want de andere twee kunnen uit de schroefkop drinken, en ze heeft natuurlijk natuurvriendelijke roerstaafjes meegenomen, die wij zó in het dennenbos kunnen flikkeren. L. heeft broodjes bij zich. Die zijn groot, zacht, en warm, net als zij. Nog vóór wij de snelweg bereiken riekt mijn auto overheerlijk naar geborgenheid, overvloed en de zolder van de bakkerij waar ik vroeger speelde.

Met E. hebben we afgesproken bij het eindpunt van onze route, en nadat ze haar auto heeft afgesloten en haar rugzak achterin de mijne op die van ons heeft gelegd, rijden wij naar de start. De logistiek is voor elkaar. Ondertussen vertelt E. over haar tocht van de afgelopen zomer door Schotland. We bewonderen haar outfit bijna nog meer dan haar ervaring. Belangrijk is, zegt E., om niets aan het toeval over te laten. Pas dan kun je echt alles loslaten op zo’n tocht. Ik krijg het ineens erg warm. Als ik de auto geparkeerd heb bij het Aquacenter in Silkeborg, ga ik daar toch maar even vragen of ze misschien een kaart hebben van de wandelroute. Het meisje achter de balie verzekert me dat het echt niet moeilijk te vinden is. De route is goed aangegeven met bordjes.

We laten ons als overrijpe Roodkapjes het bos in leiden door een paar ginnegappende knullen, die er met hun verwilderde haar, stoere schoenen en versleten rugzakken betrouwbaar uitzien. Ik vind het nu al leuk. E. zegt niets, maar ik ken haar goed genoeg om te weten dat ze in gedachte al een “Ik zei het toch…”- constructie prevelt, omdat de ontbrekende kaart ons zeker het bos in gaat sturen. Door de hoge sparren werpt de zon zijn gouden zoeklichten op het pad. Gelukkig krijgt het vriendelijke meisje van het Aquacenter al gauw gelijk, want bij de eerste tweesprong ontmoeten wij De Blauwe Man. En die zegt welke kant we op moeten. Het pad is droog en goed begaanbaar, en onze jassen gaan uit. We hebben er een stevig tempo in. Ik krijg zin om een liedje te zingen. Misschien doe ik het ook.

Door bos en wei, langs ruisend struikgewas en over kabbelende beekjes gaat onze weg. Wij praten, en denken na over het leven. Dat was immers het doel toen onze wandelclub kortgeleden werd opgericht op Facebook. Ik had er een artikel bij up-ge-load over hoe wandelen de geest verruimt en het lichaam dient. Wandelen verrijkt zogezegd het leven. Wij drinken koffie op een boomstronk, genieten op een bankje van een adembenemend uitzicht terwijl we zuchtend onze tanden zetten in de lekkere verse broodjes, en vlak voor het eindpunt bezwijken we voor een terrasje aan het water, waar we in een hoekje mogen zitten omdat de rest is afgehuurd voor een trouwerij. De bruid draagt een leren jasje over haar jurk tegen de opkomende avondkilte, en haar nieuwbakken man heeft haar in de houdgreep voor een selfie.

We zijn echt heel erg moe als we aankomen bij ons hotel. Ik heb een paar fikse blaren, en S. heeft zich laatste kilometers zorgen gemaakt over haar rug. Ik ben eigenlijk nogal geschokt dat een dag wandelen tegenwoordig zo veel van mij vergt. Na een groot glas bier in de lobby zijn we onze problemen vergeten, en als we later schoon gedoucht aan ons hoofdgerecht zitten, zijn we het er roerend over eens dat wij dit heerlijke eten vandaag verdienen. En dat we onze leven moeten veranderen van één lange to-do list in een hopelijk net zo lange to-be list. Kijk. Wandelen verrijkt het leven.

Als ik de auto de volgende dag de oprit opdraai, heb ik bijna veertig kilometer in de benen, en ben, zoals het liedje zegt, moe maar voldaan. Maandag weer op mijn werk voel ik dat ze nog wat zwaar zijn, maar dat is dan ook alles. Een goed lijf is een luxe. Terwijl ik ’s avonds sta te koken belt mijn man vanuit de file dat het later wordt. Ik begrijp hem niet goed. Hij komt toch vanuit Duitsland rijden? Er is toch nooit verkeer in Zuid Jutland?

Hij legt het kort uit. Er is chaos en stampij. Ik moet de TV maar aanzetten. Er lopen duizenden vluchtelingen over de snelweg. Die zijn onderweg naar Zweden, want ze mogen hier niet blijven. Ze houden een wandelmaand.

Wandelmaand

Iedereen is ergens goed in

Mijn collega zucht. Hij duwt zijn bril hoger op zijn neus, en zijn felblauwe ogen kijken wat agressief. Niet naar mij, want ik ben het meestal met hem eens, en dat weet hij.

“Dus dan loopt zo’n meisje ook het podium op, samen met alle anderen, krijgt een handje van de rector, en ontvangt een enveloppe met… ja, met wat? Een oude klassenfoto? Een lijst van boeken die ze vergeten is in te leveren? Een kortingscoupon voor Mc Donald’s?”

Ik lach. Ook deze keer ben ik het met hem eens. Ik moet denken aan de oude anekdote van Peter. Kinderen in broodjes aap heten in dit land altijd Peter, terwijl ik welgeteld één jongen onder de achttien ken die nog zo heet. Peter heeft zijn opa op bezoek. Van boven zijn kopje koffie stelt opa de vraag die opa’s stellen als ze graag interesse willen tonen, maar niet weten wat er omgaat in het leven van hun kleinkind:

“En, Peter, hoe gaat het op school?”

Peter kijkt op van zijn zijn legoblokjes, waarmee hij de eerste ooit door het menselijk brein bedachte mechanische M&M’s verpulveraar aan het bouwen is. Naast hem staat een bakje met het snoepgoed, vooralsnog onaangeroerd. Opa vindt dat hij te lang moet wachten op een antwoord, en stelt een vervolgvraag:

“Wie is de beste van de klas?”

Helaas maakt dat de zaak niet gemakkelijker voor Peter, die nu maar een M&M’etje neemt, een paarse, er even op sabbelt, en uiteindelijk aarzelend vraagt:

“Hoe bedoel je, opa… Het beste in wát?”

Dit verhaaltje, eventueel zonder de bijrol van M&M’s, vat uitstekend samen waar het Deense schoolsysteem, en wellicht de hele Deense maatschappij, van doordrenkt is, namelijk het idee dat iedereen gelijk is, en dat wij allen, ieder op onze eigen manier, iets positiefs kunnen bijdragen, precies dáár waar onze talenten liggen. Als er iets is dat naar mijn mening bijdraagt aan het vermeende geluk van de Denen, moet het deze gedachte zijn.

Het probleem ligt in het moment en de manier waarop kinderen, jonge mensen, en misschien zelfs ook de wat oudere, zouden moeten ontdekken wat hun bijdrage, en daarmee hun geluk, dan kan zijn. En daarin maakt de Deense onderwijspolitiek het ze niet gemakkelijk. Op de Folkeskole, die loopt van een kleuterbrugklas voor zesjarigen, tot een negende en eventueel tiende klas voor de laat-rijpe tiepjes, worden pas vanaf de zevende klas cijfers uitgedeeld. Op hun diploma prijken beoordelingen in een schaal van -3 tot 12. Aangezien het slecht met de volksaard te verenigen valt een kind te vertellen dat het minder waard is dan niks, als dat überhaupt al te bevatten zou zijn voor dat arme kind zelf, worden de laagste cijfers eigenlijk niet gegeven. Ik moet het eerste diploma van de negende klas met onvoldoendes nog onder ogen krijgen. Maar veel maakt dat niet uit.

Al voor onze vorige regering haar ambitie ventileerde dat 95% van alle jongeren een opleiding moet volgen die langer duurt dan de leerplicht (en leerplicht is hier geen schoolplicht: je mag je kinderen meenemen op wereldreis, als de boekjes maar mee gaan), was er in vergelijking met de vorige generatie al een enorm groot aantal jongeren dat voor het Deense gymnasium koos. Toegegeven, er zíjn andere scholen dan dit gymnasium dat het equivalent is van het Nederlands VWO. Er zijn handelsgymnasier, tekniske gymnasier en dan is er nog een twee-jarig opleiding die ook, zij het beperkter, toegang geeft tot academisch onderwijs. Verreweg het gros van alle leerlingen verkiest echter het ‘gewone’ gymnasium. Ik begrijp dat best. Het is een goede, algemene opleiding, en het sociale leven is bruisend en vormt voor vele Denen de basis van hun latere vriendenkring. Maar. Er worden geen toelatingseisen gesteld. Toen zij nog in de oppositie zaten stelde de huidige regerende partij voor dat er een minimum moest zijn van een vier (Nederlandse zeven) voor Deens en wiskunde om toegelaten te worden tot het gymnasium. Leiden was in last, en het voorstel redde het niet. Nu zitten dus alle kinderen samen op het gymnasium. De meesten doen hun best. De leraren ook. Die wringen zich in de nodige bochten om aan iedereen dat lesmateriaal te bieden en die eisen te stellen waarvan ze met enige zekerheid kunnen denken dat die de individuele leerling niet onmiddellijk tot zelfmoord zullen drijven. Ondanks dat is het aantal depressieve leerlingen torenhoog, en klaagt bijna iedere leerling over stress. Want ook de bollebozen hebben het zwaar. Het doek valt immers bij de toelating tot de universiteiten, die door het grote kwaliteitsverschil van eindexamens gedwongen zijn hoge toelatingseisen te stellen. Doordat het aanpassen van de les aan de minder geschikte leerlingen van de leraar nogal veel aandacht vraagt, moeten de ambitieuzere leerlingen vaak zelf verder timmeren aan een weg, waarvan het gruis nog niet glad is. Helaas is er verder bij dat timmeren geen helpende hand, want de opleiding tot timmerman is lang zo druk niet bezocht.

Een aantal jaar geleden moest ik een leerling haar mondeling examen Engels afnemen. Aangezien ze helaas niet in staat was ook maar één zin te produceren zonder minstens twee fouten, besloten de bijzitter en ik haar te laten zakken. Een aantal weken later ontvingen de rector van mijn school en ik een e-mail, waarin de moeder van het meisje mij liet weten, dat het aan mijn incompetentie en verkeerde beslissingen te wijten was dat haar dochter nu geen psychologie kon gaan studeren. Dat ik het wel geruststellend vond dat een meisje dat pas in de eindexamenklas ontdekt dat er in het Engels een –s achter het werkwoord komt in de derde persoon enkelvoud geen psychologe wordt, heb ik maar niet teruggeschreven. Ik gun haar een fijn leven in een baan waarin je dat soort triviale kennis niet nodig hebt, en waar je warme hart, je opgeruimd gemoed, je handigheid en doortastendheid veel meer op prijs gesteld worden. Het was een lief kind, en ze had vele talenten.

Nu vertelt mijn collega, dat een meisje van zijn laatste examenklas had gevraagd of ze tóch deel mocht nemen aan de diploma-uitreiking, terwijl ze niet geslaagd was. Ze had immers hoe dan ook haar best gedaan, en ze had besloten het niet over te doen. Het mocht. Want het was waar. Ze had haar best gedaan.

Iedereen is ergens goed in

Grote mensen, kleine dingen

Mijn buurman, die de tomaten water geeft en de brievenbus leegt, heeft me een sms’je gestuurd. Ik zie het pas tegen de avond. Hier in ons zomerhuis in Zweden hebben wij weinig ontvangst. Het leven lijkt hier nog te draaien om lucht, water, zon en liefde, in plaats van om blood, toil, tears and sweat. De zomerbloemen bloeien uitbundig, en ik ben net binnengekomen met een grote bos in paarse tinten. Koekoeksbloemen, late lupines, digitalis en wilde rozen heb ik geplukt, de laatsten heel voorzichtig. Ik heb ze in een nieuwe vaas gezet, die we kort geleden hebben aangeschaft tijdens een cultureel rondje in een plaatsje in de buurt. Ik kijk aangenaam verrast naar mijn telefoon als die een burpje doet.

“Kennen jullie Ole E.?” vraagt mijn buurman in zijn berichtje.

Natuurlijk kennen wij Ole. Wie kent Ole niet.

Ole was één van de eerste mensen die wij ontmoetten toen wij net in het dorp waren komen wonen. Wij waren samen met een aantal buren en mijn vader druk doende een groot kampvuur te maken van allerlei milieutechnisch volstrekt onverantwoorde voorwerpen, die wij uit de wildernis van onze tuin het weiland op hadden gesleept. Ole had het ongeluk te komen kijken. Wij konden dat toen nog niet horen, maar zijn commentaar was niet mals, en in onvervalst Kopenhagens kregen mijn buren ervan langs. Kopenhagenaren staan er, zoals bijna alle metropolieten, om bekend nogal van de tongriem gesneden te zijn. Maar blijkbaar kende mijn buurman hetzelfde kunstje in het Juts, want vóór wij tot tien konden tellen, had Ole zich thuis verkleed, en kwam hij opdraven in een overall om ons te helpen. Het bleek hem te kenmerken.

Een paar maanden later danste er ineens een enorme teddybeer voor onze ramen langs. Eronder staken de benen van Ole. Onze dochter van vier had meegedaan aan een loterij op de kerstmarkt van de padvinders, en wij hadden niet op de uitslag gewacht. Ole kwam haar prijs brengen.

Wij hadden kinderen in dezelfde leeftijd, en zo kom je elkaar nogal eens tegen. Maar wat ik ook op me nam aan klusjes voor het algemeen nut, bijna altijd was Ole me voor. Stond ik worsten te verkopen op de jaarlijkse dorpsmarkt, dan was Ole de veilingmeester, die met rappe opmerkingen en een enorme dosis humor het verkopen van oude teringzooi tot een evenement maakte waar de mensen voor kwamen. Nog steeds danken wij een oude Bornholmse klok, waar veel geitjes in kunnen en die wel nooit aan de praat zal raken, aan zijn meedogenloze hamertje. Probeerde ik mijn eigen honneurs waar te nemen met het verkopen van koek en snoep bij de jaarlijkse gymnastiek uitvoering, dan marcheerde Ole met de gymnasten mee in de stoet, zoals hier gebruikelijk is achter de Deense vlag aan, de zaal in. Hij was namelijk trainer, en zelf een zeer verdienstelijk gymnast. Het jaar dat onze jongste haar arm had gebroken en niet mee kon doen, stond hij de dag tevoren op de stoep met een mensonterende hoeveelheid chocoladerepen, die zij kon troosteten als ze toch zou komen kijken naar de anderen. Natuurlijk deed ze dat.

Toen ons dorpsleven op sterven na dood was, ronselde Ole zijn vrienden en overtuigde ze ervan, dat het de natuurlijkste zaak van de wereld was dat er in de sporthal een James Bond-casino feest zou plaatsvinden. Niet van dat benauwde – nee, de hele zaal zou worden versierd, er zouden rode lopers zijn, glitter en champagne, en natuurlijk de Drie Deense Dreigingen soep, vlees en ijs. Er zou een spetterende band spelen, en een nationaal bekende conferencier zou het optreden bij de koffie verzorgen. Er moesten driehonderd mensen komen, dan kon het uit. Tegensputteren dat dat nogal veel gevraagd was in een dorp met achthonderd zielen was aan Ole niet besteed. Het zou supergaaf worden. En dat werd het.

Slechte tijden gingen niet aan hem voorbij. Tijdens het jaarlijkse sportevenement dronk Ole te veel en sloeg iemand op zijn bek. Het bleek de nieuwe minnaar van zijn vrouw te zijn. En die had het verdiend. Kort nadat ze uit elkaar waren gegaan, verloor Ole zijn baan. Hij huurde toen een huisje tegenover ons, dat hij onmiddellijk knus maakte voor zichzelf en zijn jongens. Maar hij was aangeslagen. Nu kwam hij wel eens zomaar, een kopje koffie drinken. Een tijd lang was hij ziekelijk en kreeg allerlei onverklaarbare huidproblemen. De lach, die zo vastgebakken zat in zijn gezicht, leek te kraken. Ondertussen was hij wel bereid om ons feest op te luisteren als Special Guest. Het thema was, met gegronde reden, de jaren veertig. Ole zou zijn intrede doen, wederom met veel glamour en in het spotlicht waarmee zijn jongste ’s avonds vanuit zijn slaapkamerraampje automobilisten terroriseerde, om het hele gezelschap de jive en de jitterbug te leren. Ik zou hem om tien uur ophalen, maar het werd half twaalf. Ole zat in smoking klaar in zijn keukentje, en in een mum van tijd waanden wij ons heel lang geleden, in de jonge jaren van onze grootouders. Ole was namelijk ex-ballroomdanskampioen.

Gelukkig vond hij weer geluk in zijn leven. Het verbaasde niemand toen Ole bleek mee te doen aan een TV programma, waarin één man wordt gekeurd door maar liefst twintig vrouwen, waarvan hij er uiteindelijk één mag uitkiezen om een avondje mee te gaan eten. Ik heb die uitzending niet gezien. En in tegenstelling tot de meeste Nederlandse programma’s heb ik hem gemist. Ondanks, of misschien dank zij, zijn snelle humor en actieve geest gingen alle vrouwen “uit”, en Ole moest zonder date terug naar zijn huurhuisje. Een dag later ontvingen de programmamakers een e-mail van een vrouw die vertelde, dat ze van het programma had genoten, en wél “aan” stond. Ze kreeg Ole’s telefoonnummer. Een jaar later gingen ze samenwonen, en ze trouwden vorig jaar.

Er kan maar één reden zijn waarom mijn buurman mij in mijn vakantie vraagt of wij Ole kennen.

“Ik hoop dat het OK is dat ik schrijf. Ole is gisteren verdronken in Bulgarije.”

Nu ben ik net terug van zijn begrafenis. De zon schijnt, de bijtjes gonzen, en mijn tuin is een flink aantal bloemen minder kleurig. Ondanks dat Ole bij zijn nieuwe vrouw op Funen was gaan wonen, was de begrafenis hier in de kerk. Zijn hart ligt hier. Zijn rode, warme hart, dat in de Zwarte Zee is gestopt met kloppen. Hij was een groot mens in de kleine dingen die het leven zo mooi maken.

Grote mensen, kleine dingen

Plaatskaartje

”Wel warm, hé?” glundert de kalende man naar een jongen, die zich achter hem vasthoudt aan de schuifdeur. Hij lijkt ervan te genieten dat het zweet in straaltjes langs zijn kleine blauwe oogjes loopt. Als hij bijna zijn evenwicht verliest, grijpt hij schaterend de reling langs de wand. In zijn onderkaak missen vier tanden. Er komt nu een meisje bij met een fiets. Ze manoeuvreert ongemakkelijk langs de koffers en benen, die haar weinig plaats gunnen. Laat staan haar fiets. Dat stoort haar totaal niet. Terwijl dat toch echt iets voor vrouwen is, hoor ik haar niet één keer ‘sorry’ zeggen. Later komt de conducteur, en vóór die bestormd wordt met vragen over waar de trein wordt samengekoppeld met de sneltrein, en of er overgestapt moet worden, vraagt hij haar: “Heb je daar een kaartje voor?” Dat heeft ze. Vandaar. Iedereen bemoeit zich weer met zichzelf.

Op het perron is het ook snikheet. Naast mij staan drie mensen te praten. Het is een ouder, elegant echtpaar, en een plompe vrouw met gemillimeterd haar. Zij huilt onbedaarlijk. Onder haar oksels hebben zich genadeloos grote zweetplekken gevormd. Ze draagt een hardloopbroekje onder haar shirt. Ik kijk vanuit mijn ooghoeken. Aan de manier waarop het stel de vrouw probeert te kalmeren kan ik zien dat ze elkaar nog niet lang geleden voor het eerst ontmoet hebben. De man maakt geen enkel lichamelijk contact, de oudere vrouw legt voorzichtig haar hand op de arm van de jongere. Ze doet dat waarschijnlijk onbewust. Zo zijn vrouwen onder elkaar. Er wachten meer mensen geduldig tot de bemoedigende drie lichtogen in de verte verschijnen, en het nieuwe treinstel met een zachte bons en wat gesis aan de trein gekoppeld wordt. Ik heb een plaatskaartje voor dat treinstel.

Hier is het nog benauwder dan bij de klapstoeltjes zoëven. Als ik mijn plaatsje nader, zie ik een plek leeg bij een groepje van drie mannen, die zeer luidruchtig met elkaar praten. Op het uitklaptafeltje staan bierflesjes en een lege fles Gammel Dansk. Ach ja. Gelukkig zit ik aan de andere kant van het gangpad, en wordt hun plaats opgeëist door een gezette mevrouw met een tenger, Vietnamees uitziend meisje, dat ‘mama’ tegen haar zegt. Naast hen komt een knappe oudere man zitten, die onmiddellijk oorpluggen in doet, zijn computer openklapt, en begint te bellen. Plaatskaartjes zijn een gouden uitvinding. Ik trek mijn kleren wat losser tegen het zweten, en ga zitten. De vrouw met het millimeterhaar, de zweetplekken en het hardloopbroekje komt naast me zitten. Ze heeft ook een plaatskaartje. De oudere man met wie ze eerder in gesprek was tikt haar even later op de schouder, en zegt:

“Nu bel je eerst je zus, en vraagt of ze jou een sms stuurt met het adres. Dan zorgen wij wel dat je daar komt.” Hij kijkt over haar stekeltjes naar mij en glimlacht. Ik kijk voor me uit. De vrouw belt.

“Wát?” schreeuwt ze in de telefoon. “ Ben je al voorbij Odense? Ik zit net in de trein, en die meneer zegt dat het wel goed komt.” De meneer glimlacht weer naar mij.

“Heb je omgeboekt?” vraagt ze nu aan de zus. “Hoe laat moet ik er dan zijn?”

Ze luistert aandachtig en lijkt dan te herhalen: “Om acht uur. Vliegveld Kastrup. Ja.”  Ze is even stil, gerustgesteld. Dan bedenkt ze zich nog iets.

“Moet ik dan om zeven uur op?”

Ik hoor de zus reageren, en daarna gaat haar telefoon uit. Ze vloekt en begint weer te huilen.

“Geef mij het nummer”, zegt haar held, “dan kan ik bellen.” Dat gebeurt niet. De vrouw krijgt haar telefoon weer aan de praat en gaat verder alsof er niets gebeurd is.

“Om half zeven dan.”

Ze lijkt opgelucht, maar roept dan uit: “Nee! Ik heb geen wekker! Ik heb mijn wekkerradio thuis gelaten!”

Ik hoor weer de weinig harmonieuze drietoon uit haar telefoon komen. Ze geeft het op en legt hem voor zich op het tafeltje. De man die haar hele leven ineens in zijn handen blijkt te houden, raakt weer haar schouder aan.

“Geen paniek. We regelen het. Ik ga nu weer zitten, en we zien elkaar op het Centraal Station.”

Nu is er rust. Iedereen zwijgt en zweet. Tegenover mij zit een jong stel dat na een tijdje samen zachtjes Engels praat. De jongen heeft een Indonesisch uiterlijk; het meisje blijkt later Deense te zijn.  Ze heeft haar blote benen over de zijne gegooid. Ze ziet er lief uit. Ik probeer te slapen en hoor naast mij de vrouw nadrukkelijk uitademen. Af en toe prevelt ze wat. Ik reageer niet.

De conducteur komt. Hij hoeft niks te vragen. De vrouw naast mij ratelt spontaan en enigszins mechanisch haar hele verhaal af. Dat de eerste trein wegens technisch mankement stilstond. Dat ze daardoor anderhalf uur vertraging heeft opgelopen. Dat ze met Vera naar London gaat. Dat ze haar ouders heeft verloren toen ze veertien was. Dat haar telefoon steeds uitgaat. Dat ze een hersenbeschadiging heeft. Dat ze nooit met de trein gaat, en nu dit. Dan begint ze weer te huilen, en barst uit:

“En nu haal ik dus nooit dat verdomde vliegtuig meer! Nu moet ik blijven slapen bij mijn andere zus!”

De conducteur weet dat dit zijn finest hour zou moeten te zijn. En hij gaat aan de slag. Het meisje tegenover ons glimlacht mijn reisgezel toe.

“Het komt wel goed, “ zegt ze. Ze knikt er zó bemoedigend bij, dat ik haar geloof.

Vera belt, en de vrouw moet iets opschrijven. Ze heeft geen pen. De zakenman aan de andere kant van het pad grabbelt in zijn aktentas en geeft er haar één. Ze schrijft ermee op haar zwetende arm, want ze heeft ook geen papier. Dat krijgt ze van de moeder van het Vietnamese meisje. Er verschijnen grote, hanenpoterige cijfers.

Nu komt te conducteur terug met een collega van klantenservice. Ze stellen vragen die mijn reisgenoot allemaal helder beantwoordt. Hoe laat het vliegtuig gaat. Met welke maatschappij ze vliegt. Dat ze haar niet kunnen helpen inchecken, want Vera heeft het ticket. Nee, Vera kan het ook niet doen, want zij heeft zelf haar paspoort.

“Er mankeert niets aan mijn intelligentie,” zegt ze, “maar ik kan geen grote verbanden zien. En ik kan niet tegen veranderingen. Dat is pas twee jaar geleden ontdekt.”

“Laat het maar aan ons over,” zeggen de mannen van de spoorwegen. En: “Maak je maar geen zorgen.”

Ze doen erg hun best. Er wordt uitgerekend, en er wordt gebeld. Het had nog gekund, maar nu is er al omgeboekt. Er wordt een besluit genomen.

Bij het volgende station wacht een taxi. Op kosten van de spoorwegen wordt ze nu naar haar andere zus gereden. En morgen wordt ze daarvandaan weer opgehaald om naar het vliegveld te komen. Ze verlaat de trein. Haar kleine plastic koffertje rolt botsend achter haar aan. Ze heeft geen afscheid van ons genomen. Maar wij glimlachen toch een beetje, in de hitte.

Plaatskaartje

Een gelukkig mens

Waar ik vandaan kom, daar hadden de mensen nog bijnamen. Dat kon in een kleine gemeenschap, waar men zijn eigen en elkaars eigenaardigheden aardig kende. De gymleraar, die altijd vrolijk fluitend op zijn fiets de drie straten doorreed om na de middagpauze terug te komen in wat nu een sporthal, maar vroeger het gymnastieklokaal heette, droeg de naam Kanarie. De ex-zeeman, die tijdens een storm zijn been was verloren, ja, we hebben het over de woeste tijden van weleer, luisterde dan wel niet naar de naam Skippy, maar had hem wel. Hij had hem door het razende tempo waarin hij met zijn boomsterke armen op krukken door het dorp stevende dik verdiend. De tandarts, die in zijn vrije tijd met zijn hagelgeweer konijnen jaagde en met zijn geoefende, vaste handen zelden miste, werd Jan Hagel genoemd. Hij was daar, in tegenstelling tot de eerste twee, eigenlijk een beetje trots op.

Hier in het dorp woonde een man, die door iedereen Lykke Leif werd genoemd. Ik zag hem voor het eerst toen mijn nog kleine dochtertjes mee deden aan de Lucia optocht in het bejaardenhuis. Zachtjes zingend schuifelden ze door de eetzaal in hun witte jurkjes, zenuwachtig omdat het kaarsje in hun verkrampte knuisjes echt was, en de bejaarden eigenlijk een beetje eng. Lykke Leif maakte het er niet gemakkelijker op. Hij was groot en fors, en met zijn onverzorgde, vette haar en zijn dikke, zwaar beduimelde brillenglazen was hij ondanks zijn altijd brede glimlach nogal een afstotelijke verschijning. Lykke Leif hield de kindertjes af en toe tegen met zijn grote, klamme handen, en ze moesten dan naar hem lachen. Want hij maakte de foto’s. Dat deed hij graag, en hij was er goed in.

Behalve met foto’s maken voor het lokale sufferdje verdiende Lykke Leif een zakcentje met het verkopen van lottocoupons. Daarvoor liep hij rond op onze dorpse evenementen, zijn buik trots voor zich uit, zijn voeten altijd wat op tien voor twee, en met de smalle, uitwaaierende boekjes in zijn hand. Hij maakte praatjes met Jan en Alleman, en leek zich altijd opperbest te vermaken. Luck is het Engelse woord dat lijkt op zijn bijnaam. Het is ongetwijfeld uit het noorden geïmporteerd tijdens wat men in Engeland the Danelaw noemt, de periode van ongeveer 900 tot 1000 na Christus, waarin voornamelijk Deense Vikingen overstaken naar de Engelse oostkust en daar niet plunderden, maar zich vestigden als kooplui en boeren. Aangezien ze dit woord hebben kunnen verspreiden, moet het er gemoedelijk genoeg aan toe zijn gegaan. Het Engelse woord betekent alleen niet helemaal hetzelfde als het Deense en het ook verwante Nederlandse ‘geluk’. Het beschrijft de loop van het lot, wanneer dat in je voordeel is, en je ineens iets gewonnen blijkt te hebben. In die betekenis verkocht Leif het. Daaraan was natuurlijk zijn bijnaam te danken.

Ik heb hem nooit goed leren kennen. Vaak stond hij monter, het woord ‘opgeruimd’ was niet zo op hem van toepassing, in de stad te wachten bij de bushalte. De plastic zakjes met zijn aankopen hingen dan aan zijn grote vingers, en hij was op weg terug naar het dorp. Maar hoewel ik met grote regelmaat bekenden oppik omdat ik in een veel te grote auto rijd, en ik ervan uit ga dat men daarin sneller en droger thuiskomt, heb ik hem nooit een lift aangeboden. Al schaam ik me daar een beetje voor, ik moet toegeven dat ik hem te vies vond. Een aantal keren kwam ik bij Leif aan de deur. Soms was dat om foto’s te kopen; andere keren was ik geld aan het inzamelen voor een Goed Doel. Elke keer weer twijfelde ik of ik aan zou bellen. Op zijn oprit tierde het onkruid en de vuilniszakken stonden, dinsdag of niet, altijd opgestapeld bij de garagedeur. De ramen in de voorgevel waren dichtgemetseld met boeken, kranten en reclamefoldertjes. Als hij, verbazingwekkend alert, de deur met een verraste ruk opentrok, lachte hij, en prees mij dat ik tijd had gevonden om met de bus rond te gaan.

“Waar gaat het geld naar toe? Haïti? Natuurlijk. Die arme mensen.”

In de tijd die hij vervolgens nodig had om wat muntjes te zoeken konden mijn ogen wennen aan het donker daarbinnen, en bergen dozen zien staan, nog meer torens papier zien liggen en zakken met verzamelde blikjes verder weg in de keuken ontwaren. Als ik hem neuriënd weer dichterbij had horen komen was ik al niet meer verbaasd dat er in het beslagen jampotje waaruit hij een flink bedrag aan muntgeld opdiepte ook paperclips, voetbalplaatjes, dobbelstenen en elastiekjes zaten.

Toen ik vanmorgen langs zijn huis fietste, zag ik dat het te koop staat. Ik weet niet waarom. Misschien gaat hij naar een bejaardenhuis. Misschien is hij dood. Eigenlijk had Leif niet zo bijster veel geluk. Maar ik geloof toch dat hij gelukkig was.

Een gelukkig mens