Toen er gezongen en gefloten werd op straat

Ik had het ook nooit moeten doen. Lid worden van de Facebook groep “T. in  vroeger tijden”. Of misschien van Facebook punt. Nu Marc en Sheryl (Suiker- en Zandberg) al zo lang volledig onbetrouwbaar blijken te zijn en al onze gegevens doorsturen naar de Russen.  En ons via hun algoritmetjes met dingen blijven besmeuren die onze ware aard meer doeltreffend ontmaskeren dan een psycholoog voor 900 kronen per sessie dat kan. En ik noem dat hier niet als voordeel. Ikzelf raak steeds meer geloofwaardigheid kwijt door de balonnetjes, die maar op blíjven duiken rechtsonder in mijn scherm, met “Meghan’s first real crisis” of “What are Meghan’s patronages?” Of “Jen and Brad on secret date”. Heb ik me toch op het Britse Koninklijk Huis verklikt. En op Brad. Arrrgh. Ik mag natuurlijk blij zijn dat het niet erger is. Zeker omdat ik niet weet hoe ik die nare boxjes kan laten ophouden, en ze steevast op het whiteboard verschijnen als ik via mijn computerscherm sta les te geven.

Via Facebook ben ik nu bevriend met al die mensen met wie ik vroeger niet durfde te praten. (Ja, die waren er.) En, erger nog, met die mannelijke mensen die ik vroeger leuk vond. Of nóg erger, die míj leuk vonden. En waarvan ik dat eigenlijk best wist. Shit. Daar zijn ze weer. Want een vriendschap afslaan, wie doet dat nou? Als je ze gewoon een paar maanden later weer virtueel kunt dumpen? (Wees gewaarschuwd, mijn trouwe vrienden – ik ben nog steeds dezelfde heks als vroeger.)

Maar het komt niet alleen door die oude “was ik maar weer zeventien, dan…”-vrienden. Het komt vooral door wat ze posten. En door dat “T. in vroeger tijden”. Dus nu zit deze eenzame schrijfster in het licht van een bureaulamp voor een raam, dat van onder een rieten dak een donkere, Deense straat intuurt, en denkt aan vroeger. Toen er gezongen en gefloten werd op straat. Wie Paul Jazoor is, weet ik nog steeds niet, maar een heleboel anderen kan ik me ineens weer glashelder herinneren.

Mijn beste vriendje, van wie de vader Surinamer was, en die dientengevolge de enige gekleurde was bij ons op school. Niet dat iemand dat merkte. Want bij ons was je wie je wás, en je had eerder een probleem als je vader schoolmeester was of tandarts, dan wanneer die uit exotischer oorden kwam dan T.

En mijn beste vriendin, die me vaak kwam halen en me dan op haar rug naar school droeg omdat ze op ponykamp was geweest.

De judoleraar en zijn spelletjes. Dat klinkt verkeerd, zie ik nu, maar dat was het niet. Elke vrijdagmiddag wachtten wij onder aan het duin op de Zwarte Weg op hem met onze judotas, terwijl hij bij zijn vader en moeder koffie zat te drinken. Als die op was, en hij zijn lenige benen hoog over het tuinhekje had geslingerd zonder dat open te maken, werden wij allemaal in de Fiat gepropt; zes op de achterbank en drie in de kofferbak, om vervolgens die zeven kilometer af te leggen naar de sportschool. En we leerden judo. En concentratie. En doorzetten en verliezen en gezelligheid, als hij steevast ongezien met Sinterklaas tóch weer wat in onze schoenen had weten te proppen, die in het stinkende kleedhokje onder de bankjes stonden, terwijl wij een sutemi aan het oefenen waren. Hij had onlangs vijftig-jarig jubileum, en ik ben niet geweest. Dat spijt me erg. Ik woon te ver weg.

Nog veel meer mensen kan ik me herinneren van vroeger. Types en karakters. De jongens met de brommers, die over het zandpad kwamen scheuren op een zwoele zomeravond en die steevast door mijn vader werden nagescholden voor alles wat hem minder lief was. De slager en zijn bolleblozende knecht, waar een kind altijd een stukje worst kreeg. De agent, die als voornaam ‘politie’ had. De drogist, die zijn eigen beste klant was. De tante van het kleinste winkeltje van Nederland, waar je bellenblaas kon kopen, en een rolletje rang, en verjaarsdagscadeautjes. Als zij een ringetje met een mooi rood steentje voor je inpakte met haar mollige handjes, wist je zeker, dat je het prachtigste sieraad ter wereld had gekocht. De vrouwen op de stoepjes, nog met schort en bezem, of in een roddelkliekje met hun boodschappentassen, naast het standje met windmolens en plastic strandspeelgoed voor de supermarkt. Die nog geen keten was, maar gewoon De J. & B. De fietsende loodsen met hun deftige petten, aktentassen en wapperende jassen. En de grote, pluizige hond, die zich koesterde in de zon voor de kroeg, en die door iedereen werd toegesproken zoals zijn baasje dat deed. (Hoe dat was, is hier niet voor herhaling vatbaar. Ik heb het net geprobeerd, het opgeschreven, maar het ziet er niet uit.)

Niet dat die mensen allemaal op “T. in vroeger tijden” belanden. Maar de context doet dat wel. De bus die van West naar Oost rijdt.  Een groep schoolkinderen, die voor de zoveelste keer op een praalwagen is gehesen voor het vieren van een heuglijk feit dat nu iedereen vergeten blijkt te zijn. (Ik wist het nog. Het was het 25-jarig jubileum van Koningin Juliana. Zó oud!) Voetbalelftallen van baldadige jongetjes. Het afmeren van de boot. En nog eens en nog eens. Overstromingen, weer zo actueel, klimaatverandering nee hoor, zo was het ‘vroeger’ ook al.

Regelmatig klik ik me verder. Die. En die. God, Jezus, ja, en die. Hoe zou het… Zou die..? En dan like ik per ongeluk iets. Of ik schrijf een commentaartje. Zoals dat van dat jubileum. En dan heb ik mezelf dus vrijgegeven zoals vroeger bij het boompjeverwisselen. En teruglopen, dat mag niet. Het kán niet.

En daarom wordt het steeds erger. De weemoed. De heimwee. Het besef dat als je érgens vandaan komt, dan is het van vroeger.

Het ergste zijn de foto’s van T. in de sneeuw. Die komen aan als een bal in je nek. Je moet stilstaan en afwachten tot die in dunne straaltjes langs je rug loopt en door de boord van je maillot wordt geabsorbeerd. Of eigenlijk, nee. Ik probeer alleen maar de beeldspraak in stijl te houden. Want het zijn geen koude herinneringen, maar juist hele warme. Van wandelingen door het bos, naar een plek die ‘de klokkengang’ heet en die net zo Narnia-achtig is als hij klinkt. Vooral in de sneeuw. Van het dorp, dat zo stil is als het wit is. De feestelijkheid die ik voelde als mijn moeder mijn zusje en mij op de slee over de maagdelijke stoep trok en af en toe “even eraf” zei, als er wat kale tegels kwamen. Het moet een hele krachtinspanning zijn geweest, twee kleuters op een houten slee door zo’n dun laagje sneeuw. Misschien dat ze het wist, dat ze met haar spieren onsterfelijke sporen trok. Van de sneeuw op Oudjaarsdag, waarin wij met vriendinnetjes onze oliebollen route aflegden. Met wanten aan en mutsen op liepen we eerst naar de oude groentenwinkel van Opa B., want die bakte al voor het middaguur. Vervolgens gingen we door naar Oma K., die vanuit haar piepkleine, brandschone keukentje met de deur dicht en het raam open porceleinen bordjes met sneeuwwit stuivende poedersuiker doorgaf aan onze hongerige handen. In de tuin ernaast stond Ome B. te bakken in de schuur, met een wit schort onder zijn verhitte kop met borstelhaar. Als hij tenminste thuis was van het varen. En dan naar huis, waar het keukenraam openstond en de radio aan, en waar de oliebollen in hun heel eigen sneeuwlandschap van suikerbergen op ons lagen te wachten.

Daar denk ik allemaal aan nu, in de eerste dagen van het nieuwe jaar, terwijl het koud en donker is, en er nog steeds geen sneeuw ligt. Misschien komt het door de klimaatveranderingen. Misschien doordat ik zo ver weg woon, zelfs helemaal in een ander land. Of misschien komt het inderdaad allemaal door Facebook.

Maar waarschijnlijk komt het gewoon doordat ik ouder word en de dingen voorbij gaan.

Toen er gezongen en gefloten werd op straat

Glædelig Jul

Het is weer Kerst.

En in Denemarken is dat met een hoofdletter.

Omdat de Deen op geen enkele hoogtijdag kan wachten en zijn onmatigheid en ongeduld tot cultuur heeft verheven, is ook tijdens de Kerst de Kerstavond op de vierentwintigste december verreweg de belangrijkste. Maar al lang daarvóór moet je op je hoede zijn. Want de Kerst wordt ingeluid met de eerste Advent. Als het kwaad wil, ligt die al eind november. En voor die gelegenheid dient er een adventskrans gedesignet te zijn van creatieve oplossingen voor de traditionele ronde dinges met dennengroen en misteltak, met daarin vier stevige kaarsen, waarvan er één tot en met die vierentwintigste moet meegaan. Ga er maar aan staan. Het lukt mij meestal nog nét om die kaarsen op tijd aan te schaffen, al heeft mijn lievelingsstriptekenaar (ach, Nederlands, ik hou van u, met uw heerlijke lange woorden, u lijkt wel Duits, soms) mij enig respijt geboden met haar stripje over de onvolkomen vrouw, die tegen haar kinderen zegt: “Natuurlijk bestaat de Eerste Maandag van Advent. Die heeft Jezus gegeven aan ons, de Kerst fuck-ups.” De afgelopen jaren ben ik steeds op de valreep gered door een stalen gedrocht in de vorm van een krans waar die kaarsen op zondagavond om half zes snel in gepropt kunnen worden. Mooi is het niet, maar effectief wel, en dan komt die versiering gewoon later. En zo kan één van de kinderen keurig op de eerste Adventszondag de eerste kaars aansteken. Hoera.

Het meer serieuze julen gaat pas los als de ‘d’ in de maand zit. De tuintjes worden opgeluisterd vanuit hun grauwe regensluier met lichtjes en wat erger is. De kalenderkaars, die iedere dag een streepje naar beneden moet worden gebrand, gaat aan. (Wij doen aan duurzaamheid in dit land. Maar kom niet aan onze kaarsen en houtvuurtjes. Vooral niet met de Kerst.) In iedere sociale geleding van de samenleving wordt er gløgg geschonken, vergezeld van een kartonnen bordje met drie meelballen die geheel misleidend appelschijven worden genoemd, met daarnaast een kwakje frambozenjam en een bergje poedersuiker. Dat is gezellig en top voor ons, de sociale alcoholisten, die nu lekker wat eerder kunnen beginnen, en bovendien op tijdstippen en localiteiten waar we in andere omstandigheden verantwoordelijke ouders en werknemers moeten zijn. Ook hoera.

Vanaf de eerste december wordt bovendien de Julekalender uitgezonden op zoiets ouderwets als een public service kanaal. En daar, kan ik de Nederlanders onder u van vergewissen, kan geen Sinterklaaskrant tegenop. De Julekalender bestaat hier al vanaf de zestiger jaren en was één van de eerste kindertelevisieprogramma’s voor jong en oud. Hele generaties voelen zich intiem verwant met vele nissefamilies en hun onuitwisbare nisseavonturen. Want de kerstkabouters zijn hier al eeuwenlang een begrip. Met hun lange baarden en rode mutsen zullen ze zeker hun vinger in de rijstpap hebben gehad toen van over de Atlanten de Kerstman uit de smeltkroes verrees. Vierentwintig avonden lang zit dus jong en oud hier aan de buis gekluisterd voor weer een nieuwe, of de herhaling van een oude, overwinning op Het Kwaad. Het zijn gezellige series, gekenmerkt door veel rood en groen, slechte acteurs, of goede met zeer middelmatige teksten, en een voorspelbare plot. En dat geeft allemaal niets, want men kan erbij hyggen met de in ieder geval wekelijks zelf gebakken pepernoten, vanillekransjes en peperkoekjes. Zoals iedere goede vertelling betaamt, is de ontknoping pas op het allerlaatst. De vrede op aarde, die daar steevast uit voorkomt, ontgaat ons vrijwel ieder jaar, omdat wij tegen die tijd lopen te stressen met gasten en eten en cadeautjes en kleren en versiering. En de kerkdienst.

Maar zover ben ik nog niet.

Want ondanks dat dit al een hele mond vol lijkt, is het nog maar het begin.

Want er is ook nog de pakjeskalender. Die moet hangen, liggen of aan een esthetisch verantwoorde slinger langs de trap bengelen, en wee ieders gebeente die vijf kinderen heeft, sowieso, maar ook omdat vierentwintig daarmee niet deelbaar is. Worden de kinders niet langer blij van een ingepakt gummetje of een chokoladekikker, dan is het tijd voor de Adventscadeaux, die echter serieus moeten zijn as in nieuwe sneakers of een externe harddisc. (Wij doen daar niet aan! We doen het niet! Ze hebben ook al Sinterklaas!!)

Al het georganiseer wordt niet vergemakkelijkt door het feit dat de gemiddelde Deen en ander volk, zeker als dat de vijftig is gepasseerd, de hele decembermaand in een alcoholroes doorbrengt. Zijn daar de middagjes met gløgg en in rum geweekte rozijnen; erger nog zijn de Julefrokosten, die georganiseerd worden in de leesclub, bij de badminton en het winterzwemmen, in het schoolbestuur, op je werk en met de hardloopclub. En bij het koor. En met de puppycursus. Daarbij eet men haring en drinkt men snaps. Veel. En daar kan men niet tegen. Dat kost niet één dag, maar wel twee. En soms drie. En zo hangen dan de kluwens dode kerstboomverlichting in een hoek, is de boom nog lang niet aangeschaft, liggen alle bladeren op een hoop tussen de potten met geraamtes van uitgestorven tomaatplanten op het anders zo ordelijke terras, en worden te vroeg gekochte cadeautjes en trouwens ook de chocoladeletters op een zonnige dinsdag in juni gevonden tussen de tafelkleden onderin de kast, die een uitstekende verstopplek bleek te zijn.

Over deze Julefrokosten valt veel te zeggen. Dat ze heel gezellig zijn. Dat er vaak vele tradities mee verbonden zijn. Dat alle dames en heren in vol ornaat verschijnen in bow-tie en stiletto-hakken. Dat ook hier de spelletjes, speeches en liederen niet ontbreken. Maar dat kan allemaal maar weinig kan baten. Want dezelfde gemiddelde Deen herinnert zich alleen het voorgerecht. En dat hij thuiskwam, was een wonder. En dat de conciërge nog wekenlang tijdens zijn koffiepauze gniffelend opnames van de bewakingscamera van de bewuste avond afspeelt, negeert men gewoon. Ook diegene die samen met zijn vrouwelijke collega de geschiedenis van het wiskundelokaal voor altijd veranderde.

Als de Kerst écht bijna voor deur staat, moeten de cadeautjes natuurlijk al lang in huis zijn. Maar hoewel men tegenwoordig de luie stoel niet meer uithoeft als men genoegen neemt met de milieuvervuilende optie van het internet shoppen (Jahaa: er wordt niet mínder, maar véél meer gereden, en dacht u echt dat ieder boek bij de boekhandel wordt aangeleverd in drie individuele lagen karton én een omslagje bubbelplastic?) is dat natuurlijk lang niet altijd het geval. Meestal wordt er afgestreept van wat heel eufemistisch ‘wenslijstjes’ worden genoemd, maar die eigenlijk bestellingslijsten zijn. (Een Alfi Thermoskan van Imerco. Rood. Een Object trui, geribbeld en blauw, medium, te verkrijgen bij Sinnerup.) Heel, heel soms verzint iemand iets zelf. Dat wordt dan steevast binnen twee weken geruild, samen met de thermoskan, die zwart was, want er zit een ruilmerkje op. De absolute desperado’s vinden tenslotte nog iets origineels bij het benzinestation op weg naar het feest.

En dan is het Kerst. Kerstávond. Hoera. De eend staat in de oven, het varkensgebraad met zwoerd staat ernaast, de aardappeltjes zijn voorgekookt om straks in één vloeiende beweging gecarameliseerd te worden, de tafel is feestelijk gedekt en de pakjes liggen onder de boom, de snaps staat koud en de kerstboom bijna aan, en de cultureel-christelijke familie zit in de kerk. Met dat alles kun je zó weer een blogje vullen. Maar ik heb geen tijd meer. En u ook niet. Want het is bijna Kerst. En van alle woorden die je met een hoofdletter ‘k’ zou kunnen schrijven, is dat toch wel het mooiste. Zeker in Denemarken.

 

 

Glædelig Jul

Vertrouwen

’Deel-economie’, noemen we dat in Denemarken. Als je je huis verhuurt als je dat niet gebruikt, je tuingereedschap in een gedeeld schuurtje bewaart ter gezamenlijk gebruik, en eigenlijk ook als je je kleren naar de tweedehandswinkel of het Rode Kruis brengt. Of er koopt, natuurlijk. Mijn dochters doen niet anders. Kasten vol met kleren hebben ze, maar alles is tweede-, derde- of vierdehands. Of geleend van een vriendin. Of van… iemand anders, die ze zich even zo gauw niet kunnen herinneren, maar die zich wel zal melden, als ze dat onwaarschijnlijk kekke jasje van Philippa K. ineens mist. Als zíj het dan tenminste nog weet, aan wie ze het heeft uitgeleend.

“Zal ik een Gomore voor je oprichten?” vraagt de oudste, als ik mijn komst naar de hoofdstad aankondig. Dat heeft ze eerder gedaan. Van haar profiel. “Moet je je wel netjes gedragen,” zei ze erbij. “Anders krijg ik slechte waarderingen.” Het gaat allemaal om vertrouwen, heeft ze uitgelegd. Dat moet ook wel, als je waardevolle spullen uitleent. En jezelf erbij, zoals het geval is met een Gomore, waarbij je een lift aanbiedt aan een ander, die daarom ook een profiel heeft en wiens sterren je kunt checken, al voordat je hem of haar accepteert.

“Nee,” zeg ik, “Ik heb nu zelf een profiel.” Ik moet de foto niet vergeten, zegt ze. Ik maak er ter plekke één. Charmant is die niet. Maar alla, het is tenslotte geen datingsite. Vertrouwen, daar gaat het om. En als mijn grijze lokken en dito bril dat niet geven, weet ik niet wat wel.

Van een leien dakje gaat het niet. Na een dag heeft er nog niemand gereageerd. Ik moet mijn voorwaarden wat verslappen. (OK dan: tóch muziek. Kinderen had ik al geaccepteerd. Omrijden, vijf minuten, in de spits, vooruit dan maar.) De avond tevoren is het raak. Niels heeft zich gemeld. Gelukkig. Want met Gomore deel je bezine, de tol voor de brug, en, het allerbelangrijkste, je CO2 vervuiling. En je ontmoet nog eens iemand anders, dan waar je in het café naast zou gaan zitten. Of waar je mee getrouwd bent. What’s not to like? En Niels heeft veel sterren. Bijna van iedereen vijf. Er is sprake van sterreninflatie op Gomore, constateer ik. “Een interessante man,” schrijft er één. Mijn ervaring leert mij, dat dat bijna altijd lingo is voor iemand die in het buitenland heeft gewoond. Ik glimlach. Dan bekijk ik hem. Een vlezige vijftiger met een baard staart mij aan van achter nuchtere brillenglazen. Niet je stereotype Gomore gebruiker, denk ik zo. Maar des te leuker, misschien. Een ruimdenkende, milieubewuste leeftijdsgenoot. En zijn adagium dat mannen met baard niet te vertrouwen zijn heeft mijn man een aantal jaren geleden moeten laten varen.

Niels staat al klaar op het afritje. Ik krijg een grote hand. Het regent en er is veel verkeer. We doen de motions. Mijn naam, en een vleugje accent, ben ik buitenlander? En hoe komen wij zo..? Dan vertelt hij. Carrière. Silicon Vally. Zie je wel. Had zijn Amerikaanse vrouw onmiddellijk verteld dat als er kinderen kwamen, dan wilde hij terug naar het enige goede land voor kinderen. Daar waar je op school nog kind mocht zijn. We discussiëren over Deense pedagogiek en het schoolsysteem. Niels is een genuanceerde prater. We zijn Odense al voorbij als hij meldt dat zijn bonusdochter studeert. Ah. Gescheiden. Het zal allemaal wel komen. Ik wacht rustig af.

En ja, hoor.

Achtenhalf jaar lang procederen, zucht Niels. Want natuurlijk wilde zij de kinderen, twee meisjes, laten opgroeien in het állerbeste land voor kinderen, sterker nog, het beste land van de wereld, de Verenigde Staten van Amerika. Het was ermee begonnen dat zij naar een ‘blijf-van-mijn-lijf’ huis was gegaan. “Want daar krijg je sowieso steun. Ik had haar van alles aangedaan.” Hij kijkt me van opzij aan. Dat doet hij de hele tijd. Ik probeer terug te glimlachen. Dit is weer echt zo’n verhaal met twee kanten. Of meer.

Ze had het natuurlijk niet kunnen bewijzen, want het was verzonnen. Maar de kinderen en hij waren van rechtbank naar rechtbank gesleept.  Alle rechtzaken had ze verloren. En aangezien ze Amerikaanse was, wijtte ze dat aan het feit, dat ze de procedure in Denemarken voerden. Daarom had ze vervolgens haar zaak aanhangig gemaakt bij de Europese Commissie. Daarna bij de Commissie voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties. Want nu had hij niet alleen haar geslagen; hij had ook de meisjes seksueel misbruikt.

“Als je mijn ex moet geloven, ben je in levensgevaar als je mij in je auto hebt!” Hij kijkt me weer indringend aan en glimlacht er vriendelijk bij.

De Storebæltsbrug ligt voor ons in al haar pracht. Sjælland gaat nog een uurtje kosten, als we tenminste niet vast rijden in de beruchte bocht bij Køge. Het is gestopt met regenen. Niels vertelt rustig, maar toch wat geëmotioneerd verder.

Uiteindelijk had zijn ex de oudste dochter zonder zijn toestemming meegenomen naar de Verenigde Staten. Gekidnapt. Tien maanden lang had hij niet geweten waar zijn kind was. Natuurlijk was ook daar weer een rechtzaak uit gekomen, en uiteindelijk was de moeder gedwongen geweest het kind weer af te staan. Ze waren haar met zijn allen op gaan halen. Hij, zijn jongste dochter, en zijn tweede vrouw. Gelukkig hadden ze er net op tijd lucht van gekregen dat mevrouw de ex een nieuwe rechtzaak in de planning had, die ervoor zou zorgen dat ze hangende de procedure het land niet zouden kunnen verlaten. Hals over kop waren ze weer vertrokken.

Want de koek is op. Hij kan niet meer, geestelijk niet, maar ook financieel niet. Terwijl hij een heel goede baan heeft. Nog steeds.

“Ik heb achthonderdduizend aan rechtzaken besteed,” zegt hij. “In dollars.”

Ik vraag hem, of hij verrast was dat de scheiding zo liep. Hij schetst een huwelijk met emotionele terreur. Eindeloos veel psychologen zijn er aan te pas gekomen. Maar nu gaat het goed met die meiden. En met hem. Niels glimlacht weer. Al is de jongste een extreem lastige puber. Ze lijkt op haar moeder. Hij grinnikt erbij. Soms heeft hij zin om te zeggen: “Gá dan! Ga dan bij je moeder wonen en laat ons met rust!” Maar hij zegt het niet. Hij is ervan overtuigd, dat het hier het beste is voor zijn dochters. In een veilig, beschermend land en in een goed, stabiel gezin. Met onvoorwaardelijke liefde.

Ondanks dat ik zolangzamerhand toch wel erg vaak de hoofdstad via deze weg ben binnengereden, vergeet ik toch rechts aan te houden. We rijden plotseling in een mij volkomen onbekend stuk Kopenhagen.

“Linksaf,” beveelt Niels. Ik doe gedwee wat hij zegt. Hij zal het wel weten. Hij werkt hier immers al zo lang. “Is dit niet waar de Flixbus..,” probeer ik. “Nee,” zegt Niels. En dan: “Weer links hier.” Het voelt onlogisch, maar ik doe het. Ik kijk een beetje vluchtig opzij. Hij ziet er afwezig uit nu. Ik ken hem niet en niets aan zijn uiterlijk is mij vertrouwd. Grote handen heeft hij ook.

Dan zijn we er. Aan de oostkant van het station. “Vind je het goed als ik er maar uitspring bij het stoplicht?” vraagt hij en ik knik. Natuurlijk. Hij grijpt snel zijn tas van de achterbank en voor ik het weet, is hij verdwenen tussen alle andere mensen die op een woensdagochtend op weg zijn naar hun werk. Niels. Als ik de trap oploop naar het appartement waar mijn dochter woont, zie ik dat hij al een waardering heeft geschreven van zijn Gomore ritje met mij. Ik mag die pas zien, als ik zelf iets heb geschreven. Ik sta stil op de overloop, geef hem vijf sterren en schrijf: “Een goede man.”

 

Vertrouwen

Netwerk

Iedere vakantie in Zweden is een verademing. Ons huis ligt aan een meer midden in een natuurgebied dat door zijn donkere naaldbossen met sporen van elanden en wolven meer Noors dan Zweeds lijkt. Er is geen permanente bewoning om ons heen, en de ergste geluidsoverlast wordt veroorzaakt door een troep Canadese ganzen die het ergens over oneens is, of door de plets van de platte staart van een bever in de schemering. Via een trap kom je snel genoeg van het huis bij de steiger, en weer terug om bij de haard je lijf te laten tintelen na een duik in het kille, rinkelende water. Het huis is niet groot, maar als je elkaar graag mag, is het ruim genoeg om met twee gezinnen vakantie te kunnen houden. Luxueus is het ook niet. Maar het heeft wat van vakantie vakantie maakt. Informatie technologie is nog niet doorgedrongen in het diepe woud.

Na de laatste snijbeurt in ons budget, toen ik twee overtollige mobielabonnementen eindelijk heb opgezegd en mijn huidige van al het vet ontdaan, ben ik al sinds De Brug zonder netwerk. Maar eenmaal bij ons huis aangekomen, na die laatste anderhalf uur die de auto vanzelf rijdt, over het weggetje vanaf het vroegere melkhuisje naar links, dan over het bruggetje en in de bocht het bos in waar een bord staat dat dat zonder toestemming niet mag, over het eerste stuk gruisweg dat altijd bedrieglijk ongelijk is zodat de etenswaren in de achterbak soms een omeletje maken tegen het plafond, over de eerste steile helling die door ons tijdens het hardlopen de Mont Ventoux wordt genoemd, na de twee kilometer slingeren tot aan het meer dat ons het paradijs voorspiegelt, en na het laatste sprintje dat onmiddellijk gevolgd wordt door een verraderlijke bochtje rond het huis, als we uit de auto springen en onze reisbenen strekken door het te hoge gras, is iedereen in ons uitgedunde gezin zonder contact met de boze buitenwereld. De mobieltjes worden wel hoopvol opgeladen, maar alleen nog maar af en toe gebruikt in het ‘internetcafé’: bij een houten hutje op de top van de berg achter het huis, waar je, als je rechtstandig omhoog springt terwijl je op de zendknop drukt, één streepje netwerk vangt.

Niemand mist zijn telefoon als wij met vakantie zijn. Niemand mist zijn Facebook, en niemand mist zijn Netflix. Er worden boeken gelezen, er wordt muziek gemaakt, er wordt gekookt en gebakken en als er een borrel wordt geschonken bovendien ook nog met elkaar gepraat. Het is best gezellig allemaal aan de rokken van Moeder Natuur.

Wij hebben het huis vijftien jaar geleden gekocht van een man die nog steeds met zijn vrouw in het dorp aan de bosrand woont. Hij heet Sture. Wij vinden dat een stoere Zweedse naam, maar hij heeft ons wel eens toevertrouwd dat hij vroeger altijd liever ‘Jim’ wilde heten. De Zweden hebben een fetisj gemaakt van Amerikaanse rock ’n roll. Vooral de generatie van Sture. Hij is opgegroeid in het kleine dorpje, waar twaalf huizen staan en waar een riviertje doorheen loopt waarin je ‘s zomers forel kunt vangen. Als je nu, in de winter, het bos uitrijdt, ligt het als een Seasons-kaart voor je: de rood-houten huisjes met ieder hun veranda, wat dito schuren, de IJslandse paarden die hun adem in tunneltjes voor zich uitblazen, de kale berken bij het bruggetje. Sture woont met zijn vrouw in zijn ouderlijk huis. Het is het meest romantische huis dat ik ooit heb bezocht. Hoewel de woonkamer een beetje is aangetast door bizarre naoorlogse Zweedse tuttigheid, is de rest van het huis nog vrijwel in originele staat. De grote deur die vanuit de met wit houtsnijwerk versierde veranda toegang geeft tot de knarsende houten vloeren van de opgang. De massieve wenteltrap naar boven. De ronde tegelhaard met zijn koperen klapdeurtjes in de woonkamer. De vele vierkante ruitjes van de serre aan de flank van het huis, waar wij ons in de zomer tegen de muggen verschuilen als we zijn uitgenodigd voor pulled pork. De keuken, in die prachtige Zweedse kleuren, met in het centrum het oude, gietijzeren fornuis met zijn ronde deksels, dat nu gebruikt wordt als kachel om vlees te drogen en billen te warmen. Dat doen wij nu, als we uit de sneeuw zijn binnengekomen voor het avondeten. Er staat een dieprode kast langs de muur, waarin de vrouw van Sture de middelste plank heeft ingericht als poppenhuis met meubeltjes en poppen die ze destijds op zolder gevonden heeft. Het is je reinste Carl Larsson, of, voor de nauwelijks Zweden-kenners onder U, Bolderburen. Ze laat ons de popjes zien. De kleinkinderen zijn geweest en hebben de boel gemoderniseerd, lacht ze. Ze lacht veel. Uit de knuistjes van één van de popjes peutert ze een dubbelgevouwen velletje karton. Er staat een appeltje op de buitenkant. Nu schatert ze: “Een laptop!”

Er schiet me iets te binnen. “Kan ik van jullie computer even wat kaartjes printen?” vraag ik. Wij hebben kaartjes voor een concert in Kopenhagen, die ik thuis heb laten liggen, omdat ik toch gewend ben dat ik altijd en overal online kan komen. Het blijkt maar heel gedeeltelijk te kunnen. De kleinkinderen hebben in de kerstvakantie een gummetje in de printer gestopt, en nu doet ‘ie het niet meer. Ik moet denken aan een oude Youp-sketch, “Videorecorder heeft ook honger”. Sture vindt het gummetje grappig zonder de sketch te kennen. “Je kunt ze op een stick zetten en straks even naar Kaj lopen. Daar kan je zoveel printen als je maar wilt. Zelfs in 3D.” Zijn stem verraadt dat hij liever stoute kleinkinderen heeft dan 3D concertkaartjes. Van de vier broers is hij de enige met een gezin. Met Kerst waren alle broers en alle kinderen er, en zijn oudste broer was Jultomte. Zo delen ze het familiegeluk. Maar ze delen ook een passie voor technologie. Alle broers hebben iets met bouwen. Dat hebben ze van hun vader geërfd samen met een houtzagerij, die nu tot hun grote schaamte en ergernis staat weg te rotten aan de bosrand. Ze hebben allemaal een technische opleiding. Twee van de vier hebben hun hele leven bij Saab gewerkt. Totdat. Het was een strop in deze omgeving.

Voor de koffie lopen we naar Kaj. Het is donker in zijn huis, maar in de schuur, die wel wat weg heeft van het gebouwtje waar Emil zichzelf altijd opsloot ter bescherming tegen de woede van zijn vader, brandt nog licht. Daar binnen staat Kaj ingespannen te turen op een grote display die vast zit aan een grijs-metalen machine, waarin achter een glasplaat een stalen voorwerp bewerkt wordt door een boortje aan een volautomatische computer-geprogrammeerde arm. Ik kijk ongelovig om me heen. Er staan hier minstens vijf hoogtechnologische apparaten, die wat mij betreft net zo goed teletijdmachines als kernreactoren zouden kunnen zijn. Er zijn knopjes, lampjes en displays. Het zoemt, bromt, suist en zuigt. Kaj draait zich naar ons toe en schuift zijn leesbril op zijn voorhoofd. Hij excuseert zich dat we even moesten wachten. Hij is bezig met een prototype voor iets in de olie industrie. Als hij uitlegt wat het is, wijt ik het maar aan mijn gebrekkige Zweeds dat ik het niet begrijp. Hij moet het dingetje volgende week naar de Verenigde Staten vliegen. Bij de deur trekt hij zijn klompen aan, en we lopen samen door de sneeuw naar zijn huis. Even later heb ik, nog steeds wat beduusd, vier A4-tjes in mijn hand. We bedanken en zeggen dat de koffie wacht.

“Gelukt?” vraagt Sture zonder benieuwd te lijken naar het antwoord. Natuurlijk. In Zweden overleef je prima zonder netwerk.

Netwerk

Skihop

De eerste januari ligt het hele land hier plat. Plat op rug of buik op de bank voor de buis, een zak chips of in de meer rampzalige gevallen een teiltje bij de hand, precies zoals wij vroeger in G. na een gemeen feest in een smoezelige ochtendjas in onze gemeenschappelijke kamer licht zwetend en zwaar stinkend voor de T.V. hingen, af en toe testend of we alweer een sigaret aankonden (nee). Tijdens een dag als vandaag moeten ook de Deense hersenen zachtjes wakker geknuffeld worden met het kijken naar de vloeiende, eindeloze herhaling van schans springen in een oord in de Alpen dat wél een witte Kerst heeft gehad. Het Deense woord voor schansspringen is leuker: skihop.

Ook het oude jaar wordt in Denemarken volgens vast patroon uitgeleide gedaan. ‘Nieuwjaar’, zoals dit feest heet, is een feest met vrienden. De belangrijkste activiteit is, wederom, eten. De reden is natuurlijk dat je daar zo lekker veel bij kunt drinken. Om half zes ’s avonds is het verzamelen. Men schuifelt, nog in handig schoeisel, meteen door naar de keuken om de meegebrachte gerechten vast op een strategische plaats te parkeren. Daarna gaan de dancing shoes aan, wordt het haar nog even recht geplakt en de lipjes gestift, want dit feest is een féést, en men ziet er glamourous uit. Vervolgens begeeft men zich, het eerste glas feestelijkheid al in de hand, naar de televisie. Want om precies zes uur houdt Hare Majesteit haar Nieuwjaarstoespraak. En die wordt door iedereen, rood, blauw, paars of groen, gevolgd. Er staan of zitten op dat moment ongeveer net zoveel mensen voor de buis als er gewoonlijk naar de stembus komen: meer dan tachtig procent van de bevolking. Hoera voor de constitutionele monarchie.

Dit jaar had Hare Majesteit twee bommetjes. Ondanks dat moesten we ons natuurlijk niet bang laten maken door terroristen, onze rijkdom delen met andere, minder fortuinlijke aardbewoners, en mochten onze kinderen best eens hun knietjes schaven bij het rolschaatsen. Maar – bommetje één – maar wat? Met haar glimlach nog in het gezicht geplooid deed Hare Majesteit de door alle Majesteiten gevreesde ontdekking dat haar velletjes niet op volgorde lagen. Zij bladerde. De tijd liep. Wij hielden onze adem in. Niemand durfde iets te zeggen. Na wat zeker twintig lange seconden live uitzending waren, keek ze op. Ik verwachtte een verontschuldigende glimlach. Iets van “Sorry, hoor, ik word ook een dagje ouder, haha.”. Maar niks. Ze keek ons panisch aan en bladerde verder. Eindelijk ging ze weer door. Wat er volgde leek nog wel iets te maken te hebben met het voorafgaande. Wij dronken uit en schonken bij, maar durfden pas weer echt opgelucht adem te halen toen ze aan de standaard paragraaf met bedankjes aan het einde toe was gekomen. Toen kwam het tweede bommetje. Want zij richtte een speciaal dankwoordje aan haar man, Prins Henrik. Hij had namelijk de wens te kennen gegeven met pensioen te gaan. Volgens de mores van dit land moet de koningin nu dus in haar eentje door. Op staatsbezoek, gebouwen inwijden, regeringen briefjes geven en mensen handjes schudden. Wanneer hun tijd komt, zal Margrethe de enige zijn met een harnas aan.

Wij aten heerlijke gamba’s als voorgerecht. Daarna volgden twee vleesgerechten en diverse warme en koude groenteschotels. Iedereen had zijn best gedaan. Als toetje was er zwarte bessenijs, chocolade ijstaart en divers gebak. Er waren ook oliebollen, want er was een Nederlander in de zaal. Tegen heug en meug at iedereen er één. Er was bier, wijn en port, en dan, uiteindelijk, meer champagne. Het knalde en alle denkbeeldige kleuren vielen in gracieuze bogen door de inktzwarte hemel toen wij buiten, weer in winterschoeisel en met donsjassen aan, probeerden kinderen en in voorkomende gevallen echtgenoten te traceren via de mobiel.

Het is altijd een beetje een zit, die Oudjaarsavond. Eigenlijk wil ik altijd naar bed om vijf over twaalf. Maar nu besloot ik mijn best te doen. Toen het gesprek samen met de eerste slachtoffers tegen enen een beetje doodviel, dacht ik, “kom”. Ik manoeuvreerde het gekeuvel handig op Henrik.

Henrik wil met pensioen omdat hij éénentachtig jaar is. Dat is best logisch, vinden de meesten. Maar de echte verdenking is, dat Henrik er gewoon genoeg van heeft. Hij heeft immers herhaaldelijk te kennen gegeven moeite te hebben met een bestaan als Nummer Twee. Hij had koning moeten zijn.

Gelukkig ben ik Nederlander. Daarom kom ik er af en toe mee weg wat in de war te zijn. Daarom durf ik ook nu weer mijn stokpaardje over de barricades te sporen. Want ik ben het met Henrik eens.

Jesper spuugt bijna vuur. Het idee. Henrik is het meest on-Deense dat hij zich kan voorstellen. Hij telt af op zijn vingers. Ten eerste spreekt Henrik de taal niet behoorlijk. Ik glimlach. Nog steeds weet ik niet of het een compliment is als mensen mij vertellen dat mijn Deens beter is dan dat van de Prins-Gemaal. Ten tweede slaat hij zijn kinderen. Foei, knikt iedereen. En ten derde…

Ik val hem in de rede met mijn niet veranderde argument dat het feit dat Henrik Prins-Gemaal, in het Engels Prince Consort en in diplomatieke kringen, werd mij onlangs duidelijk, Prince Comfort moet worden genoemd, teken is van ongelijke behandeling van mannen en vrouwen. Een Prince Comfort mag geen koning zijn, omdat wij klaarblijkelijk nog altijd vinden dat met een gelijke titel de man meer macht heeft dan de vrouw. Daarom kan Máxima rustig koningin zijn. Alex is toch de baas in huis. Maar als Max onschadelijk is als koningin, waarom kan Henrik dat dan niet zijn als koning? Voor zover taal logica heeft, hoort er bij een koningin immers een koning. Het is de man-chauvinistische lading die het woord gekregen heeft die het probleem is, niet het woord zelf. Als we de zieke connotaties van een gecorrumpeerde samenleving moeten volgen, worden zoveel woorden belast met een betekenis die ze niet hoeven te hebben. Een koningin vormt dus een paar met een koning, en daarmee uit. Vind je dat een probleem dan moet je eerder bij jezelf te rade gaan dan bij Henrik.

Jespers wijsvinger haakt nog steeds rond de middelvinger van zijn andere hand. Nu onderbreekt Keld. Hij werkt bij de televisie, en heeft in die hoedanigheid de Koninklijke familie herhaaldelijk meegemaakt. “Henrik is het meest verkeerd begrepen mens in dit land dat ik ken,” zegt hij met zijn diepe voice-over stem. “Hij is een warme, grappige en intelligente man. Hij heeft het prima gedaan.”

Wij gaan door met een minstens even intelligent gesprek over jongeren en drugs, MDMA en andere ongein, tot ik vraag of we Henrik weer terug mogen. Om kwart voor drie rijd ik naar huis. Ja, rijd. Want ik ben Nederlander. De rest van de oliebollen liggen achterin voor mijn kinderen morgen bij de buis, en ik heb zo weinig gedronken dat ik makkelijk nog achter het stuur kan.

Ik wens Henrik een fijn pensioen. Ik hoop dat hij geniet van een goed boek, een dagelijkse wandeling met de hondjes, en de glimlach van Margrethe. En dat-ie lekker naar het ski-hop kijkt, vandaag. Want ski-hop loutert het brein na zwaar werk.

Gelukkig Nieuwjaar.

Skihop

Kerstrituelen

Ondanks dat ’de mannen’ er niet zijn werd het gezellig. Schoonmoeder, oftewel ‘farmor’ (vaders moeder) kwam ook nu weer na zes uur rijden blij binnenstappen met een kartonnen doos vol lekkernijen zoals stroopwafels, Hollandse kaas, banketstaaf en vers gebrande nootjes van de markt. Daarbovenop lag gewoontegetrouw een plakkerig plastic zakje (want die hoort bij de kartonnen doos) met het vlees voor de hond. Er moet immers een goede reden zijn dat dat droge voer dat wij aan het eind van de middag nonchalant in de bakjes van onze Jack Russells strooien er de hele avond in blijft liggen. Verder sleepte ze met tafeldecoraties en andere bloemen, en zat er ook nog een fles drank onder haar arm geklemd. Het feest kon beginnen, nu er volkomen onnodig gecompenseerd was voor logies en ontbijt, en voor de steeds oppervlakkiger gesprekken met farfar.

En dat deed het.

Farfar en farmor zijn overal voor in. Farfar omdat hij tussendoor zijn puzzeltje mag maken en “aan zijn sigaartje mag lurken”, en misschien nog wel meer omdat hij alles toch niet meer zo meekrijgt. Farmor omdat ook zij uit het Hoge Noorden komt, en maar wat blij was toen zij na onze verhuizing naar Denemarken haar ‘Julafton’ eindelijk weer terug kreeg – zij het dan in de Deense versie.

De Denen nemen hun tradities heel serieus. Voor de meeste hoogtijdagen ligt een zorgvuldige choreografie klaar, compleet met muziek en decor. En dat geldt in heel bijzondere mate voor Kerst. Iedereen weet in dit land wanneer de Eerste Advent is. Die is het startschot voor de Kerstversiering. Natuurlijk wordt die zondagavond de eerste kaars in de adventskrans aangestoken. Hoewel de Kerstboom moet wachten tot 23 december, die ‘kleine Kerstavond’ heet, worden nu in de tuin lichtjesslingers opgehangen, en wordt het interieur verfraaid met een waas van rode stippen, die kaboutermutsen blijken te zijn. Want in het Hoge Noorden zwaait de Kerstkabouter de scepter. In Denemarken heeft die Rien Poortvliet-achtige dimensies; in Zweden is het een kruiperig type dat met een zak met cadeautjes over zijn kromme rug op Kerstavond zwijgend de woonkamer binnen stiefelt en alle kinderen de stuipen op het lijf jaagt. Er is daar ook een bok, die het hebberige ritueel al vele eeuwen als duivels bestempelt. Die bok heb ik ook. Gekregen van farmor.

De Deense kerstkabouters heten nisser en ze eten rijstpap. Dat doen de Denen zelf ook. De kindertjes vinden het lekker, en je kunt er de uren mee sparen die je later weer in de keuken nodig hebt voor Kerstavond. Bovendien is die witte brei ideaal om in de ijskast te hebben voor als je een kater hebt. Want gedurende de hele maand december rennen de Denen van de ene Julefrokost naar de andere. Die worden gehouden op je werk, in je leeskring, met de ouderraad, op de voetbalclub, met de buurvrouwen en dan nog eens met een stelletje vrienden, gewoon voor de lol. De ingrediënten zijn standaard. Men begint met roggebrood met haring, geflankeerd door een fikse snaps of drie. Het hoofdgerecht is meestal varkens… (Tja, varkens-wát, eigenlijk?) een groot stuk vlees, dat bedekt is met zwoerd waar een roosterpatroon in is gesneden. Dat dient knapperig te zijn, anders riskeer je als buitenlandse gastvrouw alsnog uitwijzing. Er wordt flink ingenomen, op tafels gedanst en met collega’s geflirt tijdens die Julefrokosten, die, ondanks dat het woord anders doet vermoeden, voortduren tot diep in de nacht. Zij zijn voor vele Denen de vrijbrief voor de jaarlijkse wip buiten de deur. “Het was tijdens een Julefrokost” betekent dat er daarna niemand naar de psycholoog hoeft.

Kerstavond zelf is een familie-aangelegenheid. De Deen is ‘cultureel-christelijk’ en de meeste mensen trappen af met een rondje kerk. Daarna wordt er gegeten. De vrouw des huizes heeft dan al weken tevoren het grote dilemma of er dit jaar eend of varken op tafel staat opgelost. Beide vleesgerechten worden geserveerd met zoete aardappeltjes en allerhande andere zoete groenten, zoals rode kool, uien en gedroogde pruimen. Na het eten doet men een dansje rond de boom en vervolgens pakt men de pakjes uit. Sommigen zingen nog gauw een psalmpje om die bok te bezweren. Anderen vallen onmiddellijk aan en doen of ze verrast zijn wanneer wens nummer zoveel die van de bestellijst op de ijskastdeur is doorgestreept uit zijn papiertje verschijnt. Weer anderen proberen hun teleurstelling te verbergen als de Kähler-vaas oranje in plaats van bruine strepen heeft. Hij kan immers geruild worden na de Kerst, op de dag dat de detailhandel nog meer te doen heeft dan tijdens alle koopavonden ervóór.

Wij doen altijd erg ons best om Deens te zijn met Kerst. In het begin was dat vooral voor de kindertjes. Zij moesten ook hun Kerstverhalen kunnen vertellen als ze de volgende dag op de slee van de Kerkheuvel suisden, samen met de andere kinderen uit het dorp. Want winters waren hier ook witter, vroeger. Nu zijn we er gewoon van gaan houden. Al hebben we Sinterklaas langs gehad, we doen het rondje kerk-haring-varkensgebraad-amandeltjesrijst-cadeautjes ook, en met hart en ziel. Het is feestelijk en gezellig. En farmor is blij.

Dit jaar was alles een beetje anders. Ik had voor het eerst de snaps zelfgemaakt. Ik had de haring zelf gemarineerd, met mierikswortel en kerstkruiden, als U het weten wilt. Ik had voor het eerst zelf onze boom gezaagd, en als klapper op de vuurpijl zaten er voor het eerst echte kaarsjes in.

De mannen zijn er niet, ziet U. Zij rijden op hun motorfiets door Zuid-Amerika. Ze hebben al een ongeluk overleefd, zijn bijna overvallen midden in de woestijn, en zijn ziek geworden. Nu moeten ze nog tien dagen rijden, en ik durf nog steeds niet te geloven dat ze het gaan overleven, want it ain’t over until the fat lady sings. Toen we hier gezellig zaten, met farfar en farmor, en mijn zwager en zijn gezin, met onze buikjes rond en de wangetjes rood en met de kerstboom aan, toen skypten ze. Op hetzelfde moment kwam mijn jongste dochter melden dat er een ontploffing had plaatsgevonden op de w.c. Nader onderzoek wees uit, dat dat ook op de andere w.c.’s het geval was. Het regende zo hevig, dat er een dijkje was gesprongen ergens in de buurt en de riolen waren overgelopen. Het schuim in het dunne laagje water dat langs de muren op de drie vloeren liep verried dat er sprake was van het afwaswater van al onze buren; de geur dat dat vermengd was met iets van alles farfars, die tijdens die afwas traditiegetrouw hun snor hadden gedrukt op ‘het toilet’ dat zij steevast ‘bezoeken’. (Doe de groeten, zeggen wij dan.) Terwijl de hele familie zich verenigde onder de boom en voor het scherm voor een gelukkige reünie met de mannen stond ik toch nog midden in de stront.

Kerstrituelen

De Darien Gap

Vannacht lag ik wakker van de Darien Gap.

Gaten jagen mensen angst aan. Wij houden niet van leegte. Iets met niks erin is veel verontrustender dan iets met teveel erin. En ’s nachts worden alle gaten zwart. Zo ook dit gat. Terwijl mijn man rustig ademhaalde en zich af en toe omdraaide, naar mij toe, van mij af, over mij heen, lag ik wakker en dacht doem.

De Darien Gap is een schaars bewoond, en nog schaarser bestraat gebied in het zuiden van Panama. Naar verluidt is het af te raden via dit gebied de grens naar Colombia over te steken met een motorfiets. Of met twee. In plaats daarvan moeten Zen and the Art of Motorcycle Maintenance een ferry nemen van Colón in Panama naar Cartagena in Colombia. U kent Cartagena nog van de film Romancing the Stone, met Kathleen Turner en Michael Douglas, uit de good old eighties. Kathleen danst daar met haar held door de straten in een nieuwe, witte jurk. Het is erg romantisch. Ik ben ook wel eens in Cartagena geweest. Mijn man en ik reden er rond op een scootertje. Ik zat achterop. Dat was ook heel romantisch.

Mijn man is, zoals dat, meestal eufemistisch, heet, between jobs. Hij heeft zich altijd scheel gewerkt, en nu heeft hij zichzelf weggesaneerd bij het bedrijf waar hij de afgelopen acht jaar werkte. Er is gelukkig geen paniek in onze tent, en de nieuwe ‘uitdagingen’, zoals andere baantjes dan weer avontuurlijk aangeduid worden, dienen zich al aan. Maar eerst is het zaak voor hem om pas op de plaats te maken en na te denken over hoe hij de laatste tien jaar van zijn werkend leven wil invullen.

Mijn zoon heeft een gap year. Hij is klaar met zijn middelbare school en moet nu gaan uitvogelen of al die plannen die hij had van hem waren of van zijn ouders. Voor hij gaat kiezen hoe hij zijn werkend bestaan wil inleiden gaat hij een aantal maanden werken in Argentinië. Dat dat ver weg is, is belangrijk.

Ik lig vaker wakker dan mij lief is. Het is een hel waar ik aan gewend ben geraakt. En het is een troost te weten dat ook andere mensen die eruit zien alsof ze hun leven onder controle hebben aan insomnia lijden. Gelukkig gebeurt het steeds vaker dat ik in die vele uren van draaien, opstaan, lezen, Facebook checken, naar de w.c. gaan en kruidenthee maken ineens een helder inzicht krijg. Een epiphany, zoals James Joyce ze noemde, die zeker ook vaak wakker lag en daarna ingewikkelde boeken schreef. Mijn laatste heldere inzicht heeft erin geresulteerd dat er nu meerdere lagen landkaart op de tafel liggen, dat mijn zoon motorrijlessen neemt, mijn man de nogal eens overgewaardeerde vaardigheden die op zijn rijbewijs vermeld staan heeft getest (niet overgewaardeerd, bleek gelukkig), dat er naalden in armen zijn gestoken, er blogs, vlogs en reisgidsen worden bekeken en gelezen, dat oude vrienden in El Salvador naar de motorfietsenhandelaar zijn getogen en er dientengevolge e-mails binnenkomen over de geschiktheid van de Kawasaki 650KLR, en dat ik nu weer wakker lig. Mijn man en zoon gaan op de motorfiets, naar goed voorbeeld van El Che en Robert M., van San Salvador naar Viedma in Argentinië rijden.

De ferry die de Darien Gap moet vermijden blijkt uit de vaart. De capitán is er met het geld vandoor. “Yo no soy marinero,” dacht hij misschien. Je kan ook met een zeiljacht of viskotter oversteken. Dat duurt een paar dagen en tijdens zo’n overtocht kun je erg dronken worden, lees ik in een blog. Dat klinkt wel feestelijk maar ook wat riskant in de woelige baren. Ik maakte me daarover zorgen vannacht. De epiphany, de verlichting, werd weer een zwart gat.

Ik moet mijn slapeloze nachten omarmen. Zoals afstand nemen kan vergen dat je twee maanden lang lief en leed deelt, reizen in de wijde wereld een meditatieve ervaring is, en gaten inhoud maken, zo zijn het de paradoxen, het doublethink van George Orwell over het jaar waarin Romancing the Stone ooit mijn nu in slaap gesluimerde avonturierslust aanwakkerde, die mij met hun waarheid wakker houden.

Goede reis, mijn lieve mannen. Kom weer thuis.

De Darien Gap