Plaatskaartje

”Wel warm, hé?” glundert de kalende man naar een jongen, die zich achter hem vasthoudt aan de schuifdeur. Hij lijkt ervan te genieten dat het zweet in straaltjes langs zijn kleine blauwe oogjes loopt. Als hij bijna zijn evenwicht verliest, grijpt hij schaterend de reling langs de wand. In zijn onderkaak missen vier tanden. Er komt nu een meisje bij met een fiets. Ze manoeuvreert ongemakkelijk langs de koffers en benen, die haar weinig plaats gunnen. Laat staan haar fiets. Dat stoort haar totaal niet. Terwijl dat toch echt iets voor vrouwen is, hoor ik haar niet één keer ‘sorry’ zeggen. Later komt de conducteur, en vóór die bestormd wordt met vragen over waar de trein wordt samengekoppeld met de sneltrein, en of er overgestapt moet worden, vraagt hij haar: “Heb je daar een kaartje voor?” Dat heeft ze. Vandaar. Iedereen bemoeit zich weer met zichzelf.

Op het perron is het ook snikheet. Naast mij staan drie mensen te praten. Het is een ouder, elegant echtpaar, en een plompe vrouw met gemillimeterd haar. Zij huilt onbedaarlijk. Onder haar oksels hebben zich genadeloos grote zweetplekken gevormd. Ze draagt een hardloopbroekje onder haar shirt. Ik kijk vanuit mijn ooghoeken. Aan de manier waarop het stel de vrouw probeert te kalmeren kan ik zien dat ze elkaar nog niet lang geleden voor het eerst ontmoet hebben. De man maakt geen enkel lichamelijk contact, de oudere vrouw legt voorzichtig haar hand op de arm van de jongere. Ze doet dat waarschijnlijk onbewust. Zo zijn vrouwen onder elkaar. Er wachten meer mensen geduldig tot de bemoedigende drie lichtogen in de verte verschijnen, en het nieuwe treinstel met een zachte bons en wat gesis aan de trein gekoppeld wordt. Ik heb een plaatskaartje voor dat treinstel.

Hier is het nog benauwder dan bij de klapstoeltjes zoëven. Als ik mijn plaatsje nader, zie ik een plek leeg bij een groepje van drie mannen, die zeer luidruchtig met elkaar praten. Op het uitklaptafeltje staan bierflesjes en een lege fles Gammel Dansk. Ach ja. Gelukkig zit ik aan de andere kant van het gangpad, en wordt hun plaats opgeëist door een gezette mevrouw met een tenger, Vietnamees uitziend meisje, dat ‘mama’ tegen haar zegt. Naast hen komt een knappe oudere man zitten, die onmiddellijk oorpluggen in doet, zijn computer openklapt, en begint te bellen. Plaatskaartjes zijn een gouden uitvinding. Ik trek mijn kleren wat losser tegen het zweten, en ga zitten. De vrouw met het millimeterhaar, de zweetplekken en het hardloopbroekje komt naast me zitten. Ze heeft ook een plaatskaartje. De oudere man met wie ze eerder in gesprek was tikt haar even later op de schouder, en zegt:

“Nu bel je eerst je zus, en vraagt of ze jou een sms stuurt met het adres. Dan zorgen wij wel dat je daar komt.” Hij kijkt over haar stekeltjes naar mij en glimlacht. Ik kijk voor me uit. De vrouw belt.

“Wát?” schreeuwt ze in de telefoon. “ Ben je al voorbij Odense? Ik zit net in de trein, en die meneer zegt dat het wel goed komt.” De meneer glimlacht weer naar mij.

“Heb je omgeboekt?” vraagt ze nu aan de zus. “Hoe laat moet ik er dan zijn?”

Ze luistert aandachtig en lijkt dan te herhalen: “Om acht uur. Vliegveld Kastrup. Ja.”  Ze is even stil, gerustgesteld. Dan bedenkt ze zich nog iets.

“Moet ik dan om zeven uur op?”

Ik hoor de zus reageren, en daarna gaat haar telefoon uit. Ze vloekt en begint weer te huilen.

“Geef mij het nummer”, zegt haar held, “dan kan ik bellen.” Dat gebeurt niet. De vrouw krijgt haar telefoon weer aan de praat en gaat verder alsof er niets gebeurd is.

“Om half zeven dan.”

Ze lijkt opgelucht, maar roept dan uit: “Nee! Ik heb geen wekker! Ik heb mijn wekkerradio thuis gelaten!”

Ik hoor weer de weinig harmonieuze drietoon uit haar telefoon komen. Ze geeft het op en legt hem voor zich op het tafeltje. De man die haar hele leven ineens in zijn handen blijkt te houden, raakt weer haar schouder aan.

“Geen paniek. We regelen het. Ik ga nu weer zitten, en we zien elkaar op het Centraal Station.”

Nu is er rust. Iedereen zwijgt en zweet. Tegenover mij zit een jong stel dat na een tijdje samen zachtjes Engels praat. De jongen heeft een Indonesisch uiterlijk; het meisje blijkt later Deense te zijn.  Ze heeft haar blote benen over de zijne gegooid. Ze ziet er lief uit. Ik probeer te slapen en hoor naast mij de vrouw nadrukkelijk uitademen. Af en toe prevelt ze wat. Ik reageer niet.

De conducteur komt. Hij hoeft niks te vragen. De vrouw naast mij ratelt spontaan en enigszins mechanisch haar hele verhaal af. Dat de eerste trein wegens technisch mankement stilstond. Dat ze daardoor anderhalf uur vertraging heeft opgelopen. Dat ze met Vera naar London gaat. Dat ze haar ouders heeft verloren toen ze veertien was. Dat haar telefoon steeds uitgaat. Dat ze een hersenbeschadiging heeft. Dat ze nooit met de trein gaat, en nu dit. Dan begint ze weer te huilen, en barst uit:

“En nu haal ik dus nooit dat verdomde vliegtuig meer! Nu moet ik blijven slapen bij mijn andere zus!”

De conducteur weet dat dit zijn finest hour zou moeten te zijn. En hij gaat aan de slag. Het meisje tegenover ons glimlacht mijn reisgezel toe.

“Het komt wel goed, “ zegt ze. Ze knikt er zó bemoedigend bij, dat ik haar geloof.

Vera belt, en de vrouw moet iets opschrijven. Ze heeft geen pen. De zakenman aan de andere kant van het pad grabbelt in zijn aktentas en geeft er haar één. Ze schrijft ermee op haar zwetende arm, want ze heeft ook geen papier. Dat krijgt ze van de moeder van het Vietnamese meisje. Er verschijnen grote, hanenpoterige cijfers.

Nu komt te conducteur terug met een collega van klantenservice. Ze stellen vragen die mijn reisgenoot allemaal helder beantwoordt. Hoe laat het vliegtuig gaat. Met welke maatschappij ze vliegt. Dat ze haar niet kunnen helpen inchecken, want Vera heeft het ticket. Nee, Vera kan het ook niet doen, want zij heeft zelf haar paspoort.

“Er mankeert niets aan mijn intelligentie,” zegt ze, “maar ik kan geen grote verbanden zien. En ik kan niet tegen veranderingen. Dat is pas twee jaar geleden ontdekt.”

“Laat het maar aan ons over,” zeggen de mannen van de spoorwegen. En: “Maak je maar geen zorgen.”

Ze doen erg hun best. Er wordt uitgerekend, en er wordt gebeld. Het had nog gekund, maar nu is er al omgeboekt. Er wordt een besluit genomen.

Bij het volgende station wacht een taxi. Op kosten van de spoorwegen wordt ze nu naar haar andere zus gereden. En morgen wordt ze daarvandaan weer opgehaald om naar het vliegveld te komen. Ze verlaat de trein. Haar kleine plastic koffertje rolt botsend achter haar aan. Ze heeft geen afscheid van ons genomen. Maar wij glimlachen toch een beetje, in de hitte.

Plaatskaartje

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s