Een gelukkig mens

Waar ik vandaan kom, daar hadden de mensen nog bijnamen. Dat kon in een kleine gemeenschap, waar men zijn eigen en elkaars eigenaardigheden aardig kende. De gymleraar, die altijd vrolijk fluitend op zijn fiets de drie straten doorreed om na de middagpauze terug te komen in wat nu een sporthal, maar vroeger het gymnastieklokaal heette, droeg de naam Kanarie. De ex-zeeman, die tijdens een storm zijn been was verloren, ja, we hebben het over de woeste tijden van weleer, luisterde dan wel niet naar de naam Skippy, maar had hem wel. Hij had hem door het razende tempo waarin hij met zijn boomsterke armen op krukken door het dorp stevende dik verdiend. De tandarts, die in zijn vrije tijd met zijn hagelgeweer konijnen jaagde en met zijn geoefende, vaste handen zelden miste, werd Jan Hagel genoemd. Hij was daar, in tegenstelling tot de eerste twee, eigenlijk een beetje trots op.

Hier in het dorp woonde een man, die door iedereen Lykke Leif werd genoemd. Ik zag hem voor het eerst toen mijn nog kleine dochtertjes mee deden aan de Lucia optocht in het bejaardenhuis. Zachtjes zingend schuifelden ze door de eetzaal in hun witte jurkjes, zenuwachtig omdat het kaarsje in hun verkrampte knuisjes echt was, en de bejaarden eigenlijk een beetje eng. Lykke Leif maakte het er niet gemakkelijker op. Hij was groot en fors, en met zijn onverzorgde, vette haar en zijn dikke, zwaar beduimelde brillenglazen was hij ondanks zijn altijd brede glimlach nogal een afstotelijke verschijning. Lykke Leif hield de kindertjes af en toe tegen met zijn grote, klamme handen, en ze moesten dan naar hem lachen. Want hij maakte de foto’s. Dat deed hij graag, en hij was er goed in.

Behalve met foto’s maken voor het lokale sufferdje verdiende Lykke Leif een zakcentje met het verkopen van lottocoupons. Daarvoor liep hij rond op onze dorpse evenementen, zijn buik trots voor zich uit, zijn voeten altijd wat op tien voor twee, en met de smalle, uitwaaierende boekjes in zijn hand. Hij maakte praatjes met Jan en Alleman, en leek zich altijd opperbest te vermaken. Luck is het Engelse woord dat lijkt op zijn bijnaam. Het is ongetwijfeld uit het noorden geïmporteerd tijdens wat men in Engeland the Danelaw noemt, de periode van ongeveer 900 tot 1000 na Christus, waarin voornamelijk Deense Vikingen overstaken naar de Engelse oostkust en daar niet plunderden, maar zich vestigden als kooplui en boeren. Aangezien ze dit woord hebben kunnen verspreiden, moet het er gemoedelijk genoeg aan toe zijn gegaan. Het Engelse woord betekent alleen niet helemaal hetzelfde als het Deense en het ook verwante Nederlandse ‘geluk’. Het beschrijft de loop van het lot, wanneer dat in je voordeel is, en je ineens iets gewonnen blijkt te hebben. In die betekenis verkocht Leif het. Daaraan was natuurlijk zijn bijnaam te danken.

Ik heb hem nooit goed leren kennen. Vaak stond hij monter, het woord ‘opgeruimd’ was niet zo op hem van toepassing, in de stad te wachten bij de bushalte. De plastic zakjes met zijn aankopen hingen dan aan zijn grote vingers, en hij was op weg terug naar het dorp. Maar hoewel ik met grote regelmaat bekenden oppik omdat ik in een veel te grote auto rijd, en ik ervan uit ga dat men daarin sneller en droger thuiskomt, heb ik hem nooit een lift aangeboden. Al schaam ik me daar een beetje voor, ik moet toegeven dat ik hem te vies vond. Een aantal keren kwam ik bij Leif aan de deur. Soms was dat om foto’s te kopen; andere keren was ik geld aan het inzamelen voor een Goed Doel. Elke keer weer twijfelde ik of ik aan zou bellen. Op zijn oprit tierde het onkruid en de vuilniszakken stonden, dinsdag of niet, altijd opgestapeld bij de garagedeur. De ramen in de voorgevel waren dichtgemetseld met boeken, kranten en reclamefoldertjes. Als hij, verbazingwekkend alert, de deur met een verraste ruk opentrok, lachte hij, en prees mij dat ik tijd had gevonden om met de bus rond te gaan.

“Waar gaat het geld naar toe? Haïti? Natuurlijk. Die arme mensen.”

In de tijd die hij vervolgens nodig had om wat muntjes te zoeken konden mijn ogen wennen aan het donker daarbinnen, en bergen dozen zien staan, nog meer torens papier zien liggen en zakken met verzamelde blikjes verder weg in de keuken ontwaren. Als ik hem neuriënd weer dichterbij had horen komen was ik al niet meer verbaasd dat er in het beslagen jampotje waaruit hij een flink bedrag aan muntgeld opdiepte ook paperclips, voetbalplaatjes, dobbelstenen en elastiekjes zaten.

Toen ik vanmorgen langs zijn huis fietste, zag ik dat het te koop staat. Ik weet niet waarom. Misschien gaat hij naar een bejaardenhuis. Misschien is hij dood. Eigenlijk had Leif niet zo bijster veel geluk. Maar ik geloof toch dat hij gelukkig was.

Een gelukkig mens

Een gedachte over “Een gelukkig mens

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s