Urbi et orbi

Tijdens ons Paasbezoekje aan Berlijn bleek mijn Duits niet meer in de buurt te komen van de tien die ik tijdens mijn mondeling eindexamen van Herr de V. kreeg. Ik herinner me zijn trots, zoals die in een minzame glimlach omhoog kroop naar het dunne goudkleurige montuur dat zijn anders zo harde ogen omrandde. Het was altijd al stil als hij de klas in schreed, en de laatste kuchjes en fluistertjes stierven weg als zijn blik, die van een arend op een te gemakkelijke prooi, over onze zenuwachtige gezichten gleed. Wij vreesden dan de woorden “Steck mal die Bücher in die Tasche!”, die een onverwachte schriftelijke overhoring inluidden. Ik had zo’n grote hekel aan hem dat ik hem de voldoening van mijn tien niet gunde, en bijna expres fouten was gaan maken. Door durch-für-ohne-um-bis-gegen-entlang met de derde naamval te vervoegen, bijvoorbeeld, om hem mit-nach-bei-seit-von zijn stuk te brengen. Hij was zoals ik me toen al een Stasi agent voorstelde. Misschien was hij zich er pijnlijk van bewust dat hij moest zijn zoals wij ons leraren Duits willen herinneren. Waarschijnlijk was hij eigenlijk een heel aardige man, die liever dokter was geworden.

Toen gunde ik het hem nog niet. Wat hij zei na mijn korte, doch klaarblijkelijk doeltreffende verhandeling over de Dreigroschenoper weet ik niet meer. Ook die herinnering is als een echte Wort-schatz diep begraven onder de lagen Engels, Deens en Nederlands. Maar Duits is toch een strengere mengeling van Nederlands, Deens en Engels? Of is Nederlands een toevallige verzameling van woorden die langs de oevers van de Grote Rivieren als kiezelsteentjes in de klei zijn blijven hangen, iets kleiner, iets gladder, en wellicht ook iets doeltreffender? Boze tongen beweren dat zelfs Deens… Feit was, dat ik in Berlijn nog net koffie kon bestellen, en dat dan ook nog alleen maar omdat de helft van zo’n zin tegenwoordig in het Italiaans mag.

Te veel talen zijn niet goed voor je. En al helemaal niet als ze allemaal op elkaar lijken. Ik ben een taalwees.

Gelukkig bleek Berlijn een beetje aan hetzelfde te lijden. Mijn lange aarzeling na een eerste bijna volmaakt ingestudeerde volzin resulteerde steevast in een Engels antwoord. Menukaarten vertaalden hun Duitse versies van Italiaanse, Vietnamese, Turkse en Franse gerechten in het Engels. De receptioniste in ons hotel was Nederlandse. En overal om ons heen liepen Denen. Alleen de aangifte, die ik online moest doen toen de tweede dag bleek dat iemand had gevonden dat hij mijn portemonnee harder nodig had dan ik, reageerde niet op het Engelse vlaggetje. De Polizei blijft Duits, natuurlijk.

Het fijne aan Berlijn is bovendien dat de stad praat in beelden. Je hebt eigenlijk geen taal nodig. De Fernsehturm, de trots van Honecker, die niet toevallig vanaf de Alexanderplatz met gemak ver de muur over tuurde, wijst je de weg zonder dat je je in naamstraten hoeft te verdiepen. De sfeervolle lampjes in etalages en langs gevels stralen iets uit dat slecht bij het woord Konditorei of currywurst lijkt te passen, en des te meer bij ‘stinkgezellig café’. En an auf hinter neben in über unter vor UND zwischen trappen, parken, kale muren en de korte gangen van de U-bahn is er overal kleur. Berlijn is de grafiti capital of the world. Ik ben natuurlijk niet overal geweest, maar nog nooit heb ik zo’n explosie van expressie gezien, in zoveel verschillende stijlen van schilderen, sprayen en spuiten. Banksy is duidelijk niet de enige internationale straatartiest die hier zijn mystieke sporen heeft nagelaten. Toen wij in een hagelbui langs de East Gallery liepen konden we ons iets te levendig voorstellen hoe de koude kus van Brezjnjev en Honecker moet hebben gevoeld voor de mensen die bereid waren hun leven te wagen voor een tiental meter naar het westen. Want de stalen hardheid is er nog, en zeker als het bitter koud is en het stevig waait, tochten en ademen de onverbiddelijke gebouwen en de verlaten Allées plots weer DDR.

Jackie Kennedy schreef ooit aan Helmut Schmidt dat ze het ironisch vond dat haar man de woorden die hem waarschijnlijk onsterfelijk zouden maken niet eens in zijn eigen taal had uitgesproken. Uit de samenhang van zijn beroemde toespraak bij Checkpoint Charlie blijkt dat Kennedy eigenlijk niet over zichzelf wil beweren dat hij Berlijner is. Hij zegt alleen, dat in zijn tijd het feit dat je uit Berlijn komt hetzelfde betekent als vroeger in het Romeinse Rijk het feit dat je Romein was. Het maakte je een wereldburger.

Het is wat ongelukkig dat zijn taaladviseurs hem er niet op attent hebben gemaakt dat hij beter het lidwoord weg had kunnen laten in zijn Duitse steunbetuiging. Aan de andere kant zullen diezelfde taalkundigen opgelucht adem hebben gehaald dat de geallieerden niet Hamburg door een opdeling tot wereldstad hebben verheven.

Ik ben een taalwees. Of een wereldburger. Of misschien toch ook een soort oliebol.

Urbi et orbi

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s