Netwerk

Iedere vakantie in Zweden is een verademing. Ons huis ligt aan een meer midden in een natuurgebied dat door zijn donkere naaldbossen met sporen van elanden en wolven meer Noors dan Zweeds lijkt. Er is geen permanente bewoning om ons heen, en de ergste geluidsoverlast wordt veroorzaakt door een troep Canadese ganzen die het ergens over oneens is, of door de plets van de platte staart van een bever in de schemering. Via een trap kom je snel genoeg van het huis bij de steiger, en weer terug om bij de haard je lijf te laten tintelen na een duik in het kille, rinkelende water. Het huis is niet groot, maar als je elkaar graag mag, is het ruim genoeg om met twee gezinnen vakantie te kunnen houden. Luxueus is het ook niet. Maar het heeft wat van vakantie vakantie maakt. Informatie technologie is nog niet doorgedrongen in het diepe woud.

Na de laatste snijbeurt in ons budget, toen ik twee overtollige mobielabonnementen eindelijk heb opgezegd en mijn huidige van al het vet ontdaan, ben ik al sinds De Brug zonder netwerk. Maar eenmaal bij ons huis aangekomen, na die laatste anderhalf uur die de auto vanzelf rijdt, over het weggetje vanaf het vroegere melkhuisje naar links, dan over het bruggetje en in de bocht het bos in waar een bord staat dat dat zonder toestemming niet mag, over het eerste stuk gruisweg dat altijd bedrieglijk ongelijk is zodat de etenswaren in de achterbak soms een omeletje maken tegen het plafond, over de eerste steile helling die door ons tijdens het hardlopen de Mont Ventoux wordt genoemd, na de twee kilometer slingeren tot aan het meer dat ons het paradijs voorspiegelt, en na het laatste sprintje dat onmiddellijk gevolgd wordt door een verraderlijke bochtje rond het huis, als we uit de auto springen en onze reisbenen strekken door het te hoge gras, is iedereen in ons uitgedunde gezin zonder contact met de boze buitenwereld. De mobieltjes worden wel hoopvol opgeladen, maar alleen nog maar af en toe gebruikt in het ‘internetcafé’: bij een houten hutje op de top van de berg achter het huis, waar je, als je rechtstandig omhoog springt terwijl je op de zendknop drukt, één streepje netwerk vangt.

Niemand mist zijn telefoon als wij met vakantie zijn. Niemand mist zijn Facebook, en niemand mist zijn Netflix. Er worden boeken gelezen, er wordt muziek gemaakt, er wordt gekookt en gebakken en als er een borrel wordt geschonken bovendien ook nog met elkaar gepraat. Het is best gezellig allemaal aan de rokken van Moeder Natuur.

Wij hebben het huis vijftien jaar geleden gekocht van een man die nog steeds met zijn vrouw in het dorp aan de bosrand woont. Hij heet Sture. Wij vinden dat een stoere Zweedse naam, maar hij heeft ons wel eens toevertrouwd dat hij vroeger altijd liever ‘Jim’ wilde heten. De Zweden hebben een fetisj gemaakt van Amerikaanse rock ’n roll. Vooral de generatie van Sture. Hij is opgegroeid in het kleine dorpje, waar twaalf huizen staan en waar een riviertje doorheen loopt waarin je ‘s zomers forel kunt vangen. Als je nu, in de winter, het bos uitrijdt, ligt het als een Seasons-kaart voor je: de rood-houten huisjes met ieder hun veranda, wat dito schuren, de IJslandse paarden die hun adem in tunneltjes voor zich uitblazen, de kale berken bij het bruggetje. Sture woont met zijn vrouw in zijn ouderlijk huis. Het is het meest romantische huis dat ik ooit heb bezocht. Hoewel de woonkamer een beetje is aangetast door bizarre naoorlogse Zweedse tuttigheid, is de rest van het huis nog vrijwel in originele staat. De grote deur die vanuit de met wit houtsnijwerk versierde veranda toegang geeft tot de knarsende houten vloeren van de opgang. De massieve wenteltrap naar boven. De ronde tegelhaard met zijn koperen klapdeurtjes in de woonkamer. De vele vierkante ruitjes van de serre aan de flank van het huis, waar wij ons in de zomer tegen de muggen verschuilen als we zijn uitgenodigd voor pulled pork. De keuken, in die prachtige Zweedse kleuren, met in het centrum het oude, gietijzeren fornuis met zijn ronde deksels, dat nu gebruikt wordt als kachel om vlees te drogen en billen te warmen. Dat doen wij nu, als we uit de sneeuw zijn binnengekomen voor het avondeten. Er staat een dieprode kast langs de muur, waarin de vrouw van Sture de middelste plank heeft ingericht als poppenhuis met meubeltjes en poppen die ze destijds op zolder gevonden heeft. Het is je reinste Carl Larsson, of, voor de nauwelijks Zweden-kenners onder U, Bolderburen. Ze laat ons de popjes zien. De kleinkinderen zijn geweest en hebben de boel gemoderniseerd, lacht ze. Ze lacht veel. Uit de knuistjes van één van de popjes peutert ze een dubbelgevouwen velletje karton. Er staat een appeltje op de buitenkant. Nu schatert ze: “Een laptop!”

Er schiet me iets te binnen. “Kan ik van jullie computer even wat kaartjes printen?” vraag ik. Wij hebben kaartjes voor een concert in Kopenhagen, die ik thuis heb laten liggen, omdat ik toch gewend ben dat ik altijd en overal online kan komen. Het blijkt maar heel gedeeltelijk te kunnen. De kleinkinderen hebben in de kerstvakantie een gummetje in de printer gestopt, en nu doet ‘ie het niet meer. Ik moet denken aan een oude Youp-sketch, “Videorecorder heeft ook honger”. Sture vindt het gummetje grappig zonder de sketch te kennen. “Je kunt ze op een stick zetten en straks even naar Kaj lopen. Daar kan je zoveel printen als je maar wilt. Zelfs in 3D.” Zijn stem verraadt dat hij liever stoute kleinkinderen heeft dan 3D concertkaartjes. Van de vier broers is hij de enige met een gezin. Met Kerst waren alle broers en alle kinderen er, en zijn oudste broer was Jultomte. Zo delen ze het familiegeluk. Maar ze delen ook een passie voor technologie. Alle broers hebben iets met bouwen. Dat hebben ze van hun vader geërfd samen met een houtzagerij, die nu tot hun grote schaamte en ergernis staat weg te rotten aan de bosrand. Ze hebben allemaal een technische opleiding. Twee van de vier hebben hun hele leven bij Saab gewerkt. Totdat. Het was een strop in deze omgeving.

Voor de koffie lopen we naar Kaj. Het is donker in zijn huis, maar in de schuur, die wel wat weg heeft van het gebouwtje waar Emil zichzelf altijd opsloot ter bescherming tegen de woede van zijn vader, brandt nog licht. Daar binnen staat Kaj ingespannen te turen op een grote display die vast zit aan een grijs-metalen machine, waarin achter een glasplaat een stalen voorwerp bewerkt wordt door een boortje aan een volautomatische computer-geprogrammeerde arm. Ik kijk ongelovig om me heen. Er staan hier minstens vijf hoogtechnologische apparaten, die wat mij betreft net zo goed teletijdmachines als kernreactoren zouden kunnen zijn. Er zijn knopjes, lampjes en displays. Het zoemt, bromt, suist en zuigt. Kaj draait zich naar ons toe en schuift zijn leesbril op zijn voorhoofd. Hij excuseert zich dat we even moesten wachten. Hij is bezig met een prototype voor iets in de olie industrie. Als hij uitlegt wat het is, wijt ik het maar aan mijn gebrekkige Zweeds dat ik het niet begrijp. Hij moet het dingetje volgende week naar de Verenigde Staten vliegen. Bij de deur trekt hij zijn klompen aan, en we lopen samen door de sneeuw naar zijn huis. Even later heb ik, nog steeds wat beduusd, vier A4-tjes in mijn hand. We bedanken en zeggen dat de koffie wacht.

“Gelukt?” vraagt Sture zonder benieuwd te lijken naar het antwoord. Natuurlijk. In Zweden overleef je prima zonder netwerk.

Netwerk

Skihop

De eerste januari ligt het hele land hier plat. Plat op rug of buik op de bank voor de buis, een zak chips of in de meer rampzalige gevallen een teiltje bij de hand, precies zoals wij vroeger in G. na een gemeen feest in een smoezelige ochtendjas in onze gemeenschappelijke kamer licht zwetend en zwaar stinkend voor de T.V. hingen, af en toe testend of we alweer een sigaret aankonden (nee). Tijdens een dag als vandaag moeten ook de Deense hersenen zachtjes wakker geknuffeld worden met het kijken naar de vloeiende, eindeloze herhaling van schans springen in een oord in de Alpen dat wél een witte Kerst heeft gehad. Het Deense woord voor schansspringen is leuker: skihop.

Ook het oude jaar wordt in Denemarken volgens vast patroon uitgeleide gedaan. ‘Nieuwjaar’, zoals dit feest heet, is een feest met vrienden. De belangrijkste activiteit is, wederom, eten. De reden is natuurlijk dat je daar zo lekker veel bij kunt drinken. Om half zes ’s avonds is het verzamelen. Men schuifelt, nog in handig schoeisel, meteen door naar de keuken om de meegebrachte gerechten vast op een strategische plaats te parkeren. Daarna gaan de dancing shoes aan, wordt het haar nog even recht geplakt en de lipjes gestift, want dit feest is een féést, en men ziet er glamourous uit. Vervolgens begeeft men zich, het eerste glas feestelijkheid al in de hand, naar de televisie. Want om precies zes uur houdt Hare Majesteit haar Nieuwjaarstoespraak. En die wordt door iedereen, rood, blauw, paars of groen, gevolgd. Er staan of zitten op dat moment ongeveer net zoveel mensen voor de buis als er gewoonlijk naar de stembus komen: meer dan tachtig procent van de bevolking. Hoera voor de constitutionele monarchie.

Dit jaar had Hare Majesteit twee bommetjes. Ondanks dat moesten we ons natuurlijk niet bang laten maken door terroristen, onze rijkdom delen met andere, minder fortuinlijke aardbewoners, en mochten onze kinderen best eens hun knietjes schaven bij het rolschaatsen. Maar – bommetje één – maar wat? Met haar glimlach nog in het gezicht geplooid deed Hare Majesteit de door alle Majesteiten gevreesde ontdekking dat haar velletjes niet op volgorde lagen. Zij bladerde. De tijd liep. Wij hielden onze adem in. Niemand durfde iets te zeggen. Na wat zeker twintig lange seconden live uitzending waren, keek ze op. Ik verwachtte een verontschuldigende glimlach. Iets van “Sorry, hoor, ik word ook een dagje ouder, haha.”. Maar niks. Ze keek ons panisch aan en bladerde verder. Eindelijk ging ze weer door. Wat er volgde leek nog wel iets te maken te hebben met het voorafgaande. Wij dronken uit en schonken bij, maar durfden pas weer echt opgelucht adem te halen toen ze aan de standaard paragraaf met bedankjes aan het einde toe was gekomen. Toen kwam het tweede bommetje. Want zij richtte een speciaal dankwoordje aan haar man, Prins Henrik. Hij had namelijk de wens te kennen gegeven met pensioen te gaan. Volgens de mores van dit land moet de koningin nu dus in haar eentje door. Op staatsbezoek, gebouwen inwijden, regeringen briefjes geven en mensen handjes schudden. Wanneer hun tijd komt, zal Margrethe de enige zijn met een harnas aan.

Wij aten heerlijke gamba’s als voorgerecht. Daarna volgden twee vleesgerechten en diverse warme en koude groenteschotels. Iedereen had zijn best gedaan. Als toetje was er zwarte bessenijs, chocolade ijstaart en divers gebak. Er waren ook oliebollen, want er was een Nederlander in de zaal. Tegen heug en meug at iedereen er één. Er was bier, wijn en port, en dan, uiteindelijk, meer champagne. Het knalde en alle denkbeeldige kleuren vielen in gracieuze bogen door de inktzwarte hemel toen wij buiten, weer in winterschoeisel en met donsjassen aan, probeerden kinderen en in voorkomende gevallen echtgenoten te traceren via de mobiel.

Het is altijd een beetje een zit, die Oudjaarsavond. Eigenlijk wil ik altijd naar bed om vijf over twaalf. Maar nu besloot ik mijn best te doen. Toen het gesprek samen met de eerste slachtoffers tegen enen een beetje doodviel, dacht ik, “kom”. Ik manoeuvreerde het gekeuvel handig op Henrik.

Henrik wil met pensioen omdat hij éénentachtig jaar is. Dat is best logisch, vinden de meesten. Maar de echte verdenking is, dat Henrik er gewoon genoeg van heeft. Hij heeft immers herhaaldelijk te kennen gegeven moeite te hebben met een bestaan als Nummer Twee. Hij had koning moeten zijn.

Gelukkig ben ik Nederlander. Daarom kom ik er af en toe mee weg wat in de war te zijn. Daarom durf ik ook nu weer mijn stokpaardje over de barricades te sporen. Want ik ben het met Henrik eens.

Jesper spuugt bijna vuur. Het idee. Henrik is het meest on-Deense dat hij zich kan voorstellen. Hij telt af op zijn vingers. Ten eerste spreekt Henrik de taal niet behoorlijk. Ik glimlach. Nog steeds weet ik niet of het een compliment is als mensen mij vertellen dat mijn Deens beter is dan dat van de Prins-Gemaal. Ten tweede slaat hij zijn kinderen. Foei, knikt iedereen. En ten derde…

Ik val hem in de rede met mijn niet veranderde argument dat het feit dat Henrik Prins-Gemaal, in het Engels Prince Consort en in diplomatieke kringen, werd mij onlangs duidelijk, Prince Comfort moet worden genoemd, teken is van ongelijke behandeling van mannen en vrouwen. Een Prince Comfort mag geen koning zijn, omdat wij klaarblijkelijk nog altijd vinden dat met een gelijke titel de man meer macht heeft dan de vrouw. Daarom kan Máxima rustig koningin zijn. Alex is toch de baas in huis. Maar als Max onschadelijk is als koningin, waarom kan Henrik dat dan niet zijn als koning? Voor zover taal logica heeft, hoort er bij een koningin immers een koning. Het is de man-chauvinistische lading die het woord gekregen heeft die het probleem is, niet het woord zelf. Als we de zieke connotaties van een gecorrumpeerde samenleving moeten volgen, worden zoveel woorden belast met een betekenis die ze niet hoeven te hebben. Een koningin vormt dus een paar met een koning, en daarmee uit. Vind je dat een probleem dan moet je eerder bij jezelf te rade gaan dan bij Henrik.

Jespers wijsvinger haakt nog steeds rond de middelvinger van zijn andere hand. Nu onderbreekt Keld. Hij werkt bij de televisie, en heeft in die hoedanigheid de Koninklijke familie herhaaldelijk meegemaakt. “Henrik is het meest verkeerd begrepen mens in dit land dat ik ken,” zegt hij met zijn diepe voice-over stem. “Hij is een warme, grappige en intelligente man. Hij heeft het prima gedaan.”

Wij gaan door met een minstens even intelligent gesprek over jongeren en drugs, MDMA en andere ongein, tot ik vraag of we Henrik weer terug mogen. Om kwart voor drie rijd ik naar huis. Ja, rijd. Want ik ben Nederlander. De rest van de oliebollen liggen achterin voor mijn kinderen morgen bij de buis, en ik heb zo weinig gedronken dat ik makkelijk nog achter het stuur kan.

Ik wens Henrik een fijn pensioen. Ik hoop dat hij geniet van een goed boek, een dagelijkse wandeling met de hondjes, en de glimlach van Margrethe. En dat-ie lekker naar het ski-hop kijkt, vandaag. Want ski-hop loutert het brein na zwaar werk.

Gelukkig Nieuwjaar.

Skihop

Kerstrituelen

Ondanks dat ’de mannen’ er niet zijn werd het gezellig. Schoonmoeder, oftewel ‘farmor’ (vaders moeder) kwam ook nu weer na zes uur rijden blij binnenstappen met een kartonnen doos vol lekkernijen zoals stroopwafels, Hollandse kaas, banketstaaf en vers gebrande nootjes van de markt. Daarbovenop lag gewoontegetrouw een plakkerig plastic zakje (want die hoort bij de kartonnen doos) met het vlees voor de hond. Er moet immers een goede reden zijn dat dat droge voer dat wij aan het eind van de middag nonchalant in de bakjes van onze Jack Russells strooien er de hele avond in blijft liggen. Verder sleepte ze met tafeldecoraties en andere bloemen, en zat er ook nog een fles drank onder haar arm geklemd. Het feest kon beginnen, nu er volkomen onnodig gecompenseerd was voor logies en ontbijt, en voor de steeds oppervlakkiger gesprekken met farfar.

En dat deed het.

Farfar en farmor zijn overal voor in. Farfar omdat hij tussendoor zijn puzzeltje mag maken en “aan zijn sigaartje mag lurken”, en misschien nog wel meer omdat hij alles toch niet meer zo meekrijgt. Farmor omdat ook zij uit het Hoge Noorden komt, en maar wat blij was toen zij na onze verhuizing naar Denemarken haar ‘Julafton’ eindelijk weer terug kreeg – zij het dan in de Deense versie.

De Denen nemen hun tradities heel serieus. Voor de meeste hoogtijdagen ligt een zorgvuldige choreografie klaar, compleet met muziek en decor. En dat geldt in heel bijzondere mate voor Kerst. Iedereen weet in dit land wanneer de Eerste Advent is. Die is het startschot voor de Kerstversiering. Natuurlijk wordt die zondagavond de eerste kaars in de adventskrans aangestoken. Hoewel de Kerstboom moet wachten tot 23 december, die ‘kleine Kerstavond’ heet, worden nu in de tuin lichtjesslingers opgehangen, en wordt het interieur verfraaid met een waas van rode stippen, die kaboutermutsen blijken te zijn. Want in het Hoge Noorden zwaait de Kerstkabouter de scepter. In Denemarken heeft die Rien Poortvliet-achtige dimensies; in Zweden is het een kruiperig type dat met een zak met cadeautjes over zijn kromme rug op Kerstavond zwijgend de woonkamer binnen stiefelt en alle kinderen de stuipen op het lijf jaagt. Er is daar ook een bok, die het hebberige ritueel al vele eeuwen als duivels bestempelt. Die bok heb ik ook. Gekregen van farmor.

De Deense kerstkabouters heten nisser en ze eten rijstpap. Dat doen de Denen zelf ook. De kindertjes vinden het lekker, en je kunt er de uren mee sparen die je later weer in de keuken nodig hebt voor Kerstavond. Bovendien is die witte brei ideaal om in de ijskast te hebben voor als je een kater hebt. Want gedurende de hele maand december rennen de Denen van de ene Julefrokost naar de andere. Die worden gehouden op je werk, in je leeskring, met de ouderraad, op de voetbalclub, met de buurvrouwen en dan nog eens met een stelletje vrienden, gewoon voor de lol. De ingrediënten zijn standaard. Men begint met roggebrood met haring, geflankeerd door een fikse snaps of drie. Het hoofdgerecht is meestal varkens… (Tja, varkens-wát, eigenlijk?) een groot stuk vlees, dat bedekt is met zwoerd waar een roosterpatroon in is gesneden. Dat dient knapperig te zijn, anders riskeer je als buitenlandse gastvrouw alsnog uitwijzing. Er wordt flink ingenomen, op tafels gedanst en met collega’s geflirt tijdens die Julefrokosten, die, ondanks dat het woord anders doet vermoeden, voortduren tot diep in de nacht. Zij zijn voor vele Denen de vrijbrief voor de jaarlijkse wip buiten de deur. “Het was tijdens een Julefrokost” betekent dat er daarna niemand naar de psycholoog hoeft.

Kerstavond zelf is een familie-aangelegenheid. De Deen is ‘cultureel-christelijk’ en de meeste mensen trappen af met een rondje kerk. Daarna wordt er gegeten. De vrouw des huizes heeft dan al weken tevoren het grote dilemma of er dit jaar eend of varken op tafel staat opgelost. Beide vleesgerechten worden geserveerd met zoete aardappeltjes en allerhande andere zoete groenten, zoals rode kool, uien en gedroogde pruimen. Na het eten doet men een dansje rond de boom en vervolgens pakt men de pakjes uit. Sommigen zingen nog gauw een psalmpje om die bok te bezweren. Anderen vallen onmiddellijk aan en doen of ze verrast zijn wanneer wens nummer zoveel die van de bestellijst op de ijskastdeur is doorgestreept uit zijn papiertje verschijnt. Weer anderen proberen hun teleurstelling te verbergen als de Kähler-vaas oranje in plaats van bruine strepen heeft. Hij kan immers geruild worden na de Kerst, op de dag dat de detailhandel nog meer te doen heeft dan tijdens alle koopavonden ervóór.

Wij doen altijd erg ons best om Deens te zijn met Kerst. In het begin was dat vooral voor de kindertjes. Zij moesten ook hun Kerstverhalen kunnen vertellen als ze de volgende dag op de slee van de Kerkheuvel suisden, samen met de andere kinderen uit het dorp. Want winters waren hier ook witter, vroeger. Nu zijn we er gewoon van gaan houden. Al hebben we Sinterklaas langs gehad, we doen het rondje kerk-haring-varkensgebraad-amandeltjesrijst-cadeautjes ook, en met hart en ziel. Het is feestelijk en gezellig. En farmor is blij.

Dit jaar was alles een beetje anders. Ik had voor het eerst de snaps zelfgemaakt. Ik had de haring zelf gemarineerd, met mierikswortel en kerstkruiden, als U het weten wilt. Ik had voor het eerst zelf onze boom gezaagd, en als klapper op de vuurpijl zaten er voor het eerst echte kaarsjes in.

De mannen zijn er niet, ziet U. Zij rijden op hun motorfiets door Zuid-Amerika. Ze hebben al een ongeluk overleefd, zijn bijna overvallen midden in de woestijn, en zijn ziek geworden. Nu moeten ze nog tien dagen rijden, en ik durf nog steeds niet te geloven dat ze het gaan overleven, want it ain’t over until the fat lady sings. Toen we hier gezellig zaten, met farfar en farmor, en mijn zwager en zijn gezin, met onze buikjes rond en de wangetjes rood en met de kerstboom aan, toen skypten ze. Op hetzelfde moment kwam mijn jongste dochter melden dat er een ontploffing had plaatsgevonden op de w.c. Nader onderzoek wees uit, dat dat ook op de andere w.c.’s het geval was. Het regende zo hevig, dat er een dijkje was gesprongen ergens in de buurt en de riolen waren overgelopen. Het schuim in het dunne laagje water dat langs de muren op de drie vloeren liep verried dat er sprake was van het afwaswater van al onze buren; de geur dat dat vermengd was met iets van alles farfars, die tijdens die afwas traditiegetrouw hun snor hadden gedrukt op ‘het toilet’ dat zij steevast ‘bezoeken’. (Doe de groeten, zeggen wij dan.) Terwijl de hele familie zich verenigde onder de boom en voor het scherm voor een gelukkige reünie met de mannen stond ik toch nog midden in de stront.

Kerstrituelen

De Darien Gap

Vannacht lag ik wakker van de Darien Gap.

Gaten jagen mensen angst aan. Wij houden niet van leegte. Iets met niks erin is veel verontrustender dan iets met teveel erin. En ’s nachts worden alle gaten zwart. Zo ook dit gat. Terwijl mijn man rustig ademhaalde en zich af en toe omdraaide, naar mij toe, van mij af, over mij heen, lag ik wakker en dacht doem.

De Darien Gap is een schaars bewoond, en nog schaarser bestraat gebied in het zuiden van Panama. Naar verluidt is het af te raden via dit gebied de grens naar Colombia over te steken met een motorfiets. Of met twee. In plaats daarvan moeten Zen and the Art of Motorcycle Maintenance een ferry nemen van Colón in Panama naar Cartagena in Colombia. U kent Cartagena nog van de film Romancing the Stone, met Kathleen Turner en Michael Douglas, uit de good old eighties. Kathleen danst daar met haar held door de straten in een nieuwe, witte jurk. Het is erg romantisch. Ik ben ook wel eens in Cartagena geweest. Mijn man en ik reden er rond op een scootertje. Ik zat achterop. Dat was ook heel romantisch.

Mijn man is, zoals dat, meestal eufemistisch, heet, between jobs. Hij heeft zich altijd scheel gewerkt, en nu heeft hij zichzelf weggesaneerd bij het bedrijf waar hij de afgelopen acht jaar werkte. Er is gelukkig geen paniek in onze tent, en de nieuwe ‘uitdagingen’, zoals andere baantjes dan weer avontuurlijk aangeduid worden, dienen zich al aan. Maar eerst is het zaak voor hem om pas op de plaats te maken en na te denken over hoe hij de laatste tien jaar van zijn werkend leven wil invullen.

Mijn zoon heeft een gap year. Hij is klaar met zijn middelbare school en moet nu gaan uitvogelen of al die plannen die hij had van hem waren of van zijn ouders. Voor hij gaat kiezen hoe hij zijn werkend bestaan wil inleiden gaat hij een aantal maanden werken in Argentinië. Dat dat ver weg is, is belangrijk.

Ik lig vaker wakker dan mij lief is. Het is een hel waar ik aan gewend ben geraakt. En het is een troost te weten dat ook andere mensen die eruit zien alsof ze hun leven onder controle hebben aan insomnia lijden. Gelukkig gebeurt het steeds vaker dat ik in die vele uren van draaien, opstaan, lezen, Facebook checken, naar de w.c. gaan en kruidenthee maken ineens een helder inzicht krijg. Een epiphany, zoals James Joyce ze noemde, die zeker ook vaak wakker lag en daarna ingewikkelde boeken schreef. Mijn laatste heldere inzicht heeft erin geresulteerd dat er nu meerdere lagen landkaart op de tafel liggen, dat mijn zoon motorrijlessen neemt, mijn man de nogal eens overgewaardeerde vaardigheden die op zijn rijbewijs vermeld staan heeft getest (niet overgewaardeerd, bleek gelukkig), dat er naalden in armen zijn gestoken, er blogs, vlogs en reisgidsen worden bekeken en gelezen, dat oude vrienden in El Salvador naar de motorfietsenhandelaar zijn getogen en er dientengevolge e-mails binnenkomen over de geschiktheid van de Kawasaki 650KLR, en dat ik nu weer wakker lig. Mijn man en zoon gaan op de motorfiets, naar goed voorbeeld van El Che en Robert M., van San Salvador naar Viedma in Argentinië rijden.

De ferry die de Darien Gap moet vermijden blijkt uit de vaart. De capitán is er met het geld vandoor. “Yo no soy marinero,” dacht hij misschien. Je kan ook met een zeiljacht of viskotter oversteken. Dat duurt een paar dagen en tijdens zo’n overtocht kun je erg dronken worden, lees ik in een blog. Dat klinkt wel feestelijk maar ook wat riskant in de woelige baren. Ik maakte me daarover zorgen vannacht. De epiphany, de verlichting, werd weer een zwart gat.

Ik moet mijn slapeloze nachten omarmen. Zoals afstand nemen kan vergen dat je twee maanden lang lief en leed deelt, reizen in de wijde wereld een meditatieve ervaring is, en gaten inhoud maken, zo zijn het de paradoxen, het doublethink van George Orwell over het jaar waarin Romancing the Stone ooit mijn nu in slaap gesluimerde avonturierslust aanwakkerde, die mij met hun waarheid wakker houden.

Goede reis, mijn lieve mannen. Kom weer thuis.

De Darien Gap

Verzustering

Ze is veel aardiger dan ze eruit ziet. De vorige keer dat ik haar ontmoette, op de conferentie in Nyborg, leek ze koel en ongenaakbaar. Blond. Lang. Slank. Mooi. Alles wat ik niet ben. Duits. Echt Duits, vond ik toen. Nu zitten we in de U-bahn samen na de tweede dag met onze leerlingen op de Hamburgse conferentie van Model United Nations, het rollenspel waarin jonge mensen het hele besluitvormings- en wetgevingsproces van de Verenigde Naties naspelen, gekleed als diplomaten, in de taal van diplomaten, en met het geduld, de beleefdheid en ook de wedijver die daarbij horen.

Het is een zware dag geweest voor de kinders, vinden wij. Aan de grauwige weerspiegeling van onze gezichten in het grote raam, waarachter de wand van de donkere tunnel voorbij raast, is af te lezen dat dat ook voor ons geldt. We spreken Engels, en zijn het erover eens dat dat toch eigenlijk wonderlijk is.

De leerlingen van mijn school hebben zich al maanden voorbereid. Ze doen mee als delegaties van Duitsland (!) en Ierland, en zullen in de komende dagen in Comités en Raden lobbyen, debatteren en wetgeven over zaken including, but not limited to de veiligheid in Somalië, maatregelen tegen militante Islamitische groepen in West-Afrika, de preventie van seksueel overdraagbare ziekten, de verantwoordelijkheid van vroegere koloniale grootmachten, het commerciële gebruik van drinkwater, het voorkomen van dodelijke ongelukken bij illegale immigratie, en de toegang tot het internet als mensenrecht.

Vanochtend kregen wij een rondleiding door de stad. De gemoderniseerde Hafencity straalde zelfverzekerdheid, welvarendheid en veiligheid uit. Bovendien was het er, ondanks de robuuste en af en toe iets pompeuze gebouwen, gezellig. We liepen over bruggen en langs kades, en snoven de ijzerachtige frisheid van najaar aan het water in. De adem van de stad was rustig, maar krachtig. Onze gids, een meisje van de school, las voor van een manuscript. De informatie over het raadhuis kwam waarschijnlijk regelrecht van Wikipedia. Maar omdat haar glimlach tegelijk schalks en verlegen was, en ze me daarom enorm aan mijn jongste nichtje deed denken, vergaf ik het haar, hoewel ik zeker wist dat mijn nichtje de teksten zelf zou hebben geschreven, en waarschijnlijk ook nog uit haar hoofd geleerd. Eén van mijn leerlingen vroeg waar de wapens in de gevel van waren. Lichte paniek straalde uit haar ogen. Ze beaamde opgelucht mijn suggestie van Hanzesteden. De banden van weleer. We zoeken het op, beloofden we elkaar.

Toch brengt het Engels iets interessants naar boven als je over onze nationaliteiten nadenkt, zeg ik tegen mijn collega. ‘Nederlands’ heet immers nog altijd Dutch. Ik vertel haar over de met regelmaat wederkerende commotie over ons volkslied, dat het Duitse bloed als Nederlandse deugd bezingt. Ik vraag haar of ze weet dat hermanos in het Spaans ‘broeders’ betekent. Ik zie een mengeling van blijdschap en melancholie in haar staalblauwe ogen.

Terwijl de leerlingen zich met de verbroedering der naties bezig houden, zitten hun leraren en begeleiders in de bibliotheek. Wij zijn het control panel. De eerste dagen zijn voor de leerlingen gemoeid met het schrijven van resoluties, waarover later in de comités gedebatteerd zal worden. Wij moeten die nakijken op vorm- en taalfouten vóór ze op de tafel van de Chairs belanden.

Een andere Duitse collega vertelt dat ze ‘eigenlijk’ geen Duitse is. Ze komt uit Roemenië. Ze kan zich het vorige regime herinneren. Hoe haar grootvader, die toen al in de tachtig was, in de rij stond voor schoenen voor zijn kleinkinderen. Hoe ze geen uitreisverbod kregen nadat zij tijdens het spelen aan haar buurmeisje had verteld dat ze op vakantie gingen naar Duitsland, en dat ze daar best zou willen blijven. Haar ouders wonen nog steeds in Roemenië. Skype is een zegen. Als ik eens in Augsburg ben, kan ik bij haar slapen.

De Poolse collega’s trakteren op chocolaatjes. Er zitten pruimen in. Ik vind het nog te vroeg voor snoep, en zie de teleurstelling in de ernstige ogen van Janosz. Zijn Engels is kreukvrij. Ook hij heeft het pas op latere leeftijd geleerd. “Ik haatte Russisch,” zegt hij. “Ik heb na ’91 nooit meer een woord Russisch gesproken.”

De Zuid-Spaanse school heeft een wat oudere begeleidster die eruit ziet als een echte lerares. “I’m British,” zegt ze desgevraagd. En inderdaad hoor ik dat ze zich heeft aangeleerd haar accent te verbergen. Toen zij vertrok uit Groot Brittannië was Schots nog geen aanbeveling om op een internationale school Engels te komen doceren. Ze woont in Gibraltar. Daar zijn meer kilometers tunnel dan weg, vertelt ze. De dertigduizend mensen wonen als een randje slagroom rond een enorme rots op een oppervlak van twee bij vier kilometer.

Mijn Duitse collega moet twee haltes eerder uit de trein dan ik. Nadat ze is opgestaan, pakt ze nog even mijn hand. Mijn weerspiegeling ligt even bijna precies over haar gezicht als ik naar haar zwaai. Ik leun mijn hoofd achterover en sluit mijn ogen. Om me heen wordt nog levendig gepraat en ik moet toegeven dat ik ondanks mijn spreekblokkade alles versta. Als ik mijn ogen weer open doe, valt het me op dat niemand van de lustige kletsmajoren een Arisch uiterlijk heeft. Ik denk aan Denemarken, mijn woonplaats en bijna mijn thuisland.

Good for you, Germany,” denk ik waarschijnlijk in het Engels.

Alle Menschen werden Brüder.

 

 

Verzustering

B

Pas twee weken nadat ik de gemeente een e-mail heb gestuurd krijg ik antwoord. Ik had geschreven in een moment van bezonnen inspiratie. Ik had genoeg van alle Facebook postjes, de likes en gedeelde trieste foto’s. Ik begon me steeds huichelachtiger te voelen, en uiteindelijk was er geen houwen meer aan. Natuurlijk had ik het overlegd met mijn man. Zoals voor veel van mijn ideeën was hij ook deze keer positief. Maar het duwtje kwam uit onverwachte hoek.

Ongeveer een half jaar geleden kwam het tweede boek uit van de Amerikaanse schrijfster Harper Lee. Jawel, die van To Kill a Mockingbird, dat in 1960 in druk verscheen. De meeste mensen hebben die roman gelezen als deel van hun Engelse boekenlijst in de tijd dat het nog vooruitstrevend was daaronder ook Amerikaanse literatuur te rekenen. Ook ik herinner me de omslag van het boek als gedeeltelijke bedekking van het gezicht van de jongste zoon van de familie waarbij ik in huis woonde. Die lag daaronder steevast te snurken. Want het boek was wel aardig, maar te lang, vond hij. Dat het bovendien verplicht was, was geen aanbeveling. Toen de tweede roman van de nu hoogbejaarde schrijfster in het Deens was uitgekomen las ik de recensie. De journalist in kwestie is vaak genadeloos, maar in dit geval was zij onverdeeld positief. Aangezien het een vervolg betrof op het eerste werk, nam ik me voor dat dan eindelijk eens eerst te lezen.

Nu heb ik het uit. To Kill a Mockingbird is een prachtig boek. Eigenlijk had ik Stoner dit jaar op nummer één gezet, maar nu ben ik in twijfel. Pas na een derde van het verhaal blijkt het te gaan over rassendiscriminatie in het zuiden van de Verenigde Staten van het interbellum. Oh nee, niet weer, denk je. Maar ondanks dat dit onderwerp zowel te veel uitgemolken is als helaas nooit minder actueel lijkt te worden, is de invalshoek hier interessant. De lezer zit namelijk in het hoofd van een opgroeiend meisje, dat de problemen maar amper begrijpt en dat, zoals kinderen dat doen, de onbarmhartige en bekrompen gesprekken normaal vindt die met stemmen van tantes en buurvrouwen als flarden mist in de straat hangen. Wie de waarheid maar al te zuiver ziet is de vader van het meisje. Atticus is een goede, zij het weinig conventionele ouder. Zijn kinderen noemen hem bij zijn voornaam, en zijn dochtertje groeit op in overalls. Wanneer de burgerdeugden van goede tafelmanieren en geschikte conversatie aan de orde zijn, vraagt Atticus zich liever af wat zijn kinderen dan wél bezig houdt en hoe die vlekken in hun kleren zijn gekomen, dan zich te verontschuldigen voor het gezelschap. Respect eist hij wel, en wanneer zijn kinderen eindelijk de schellen van de ogen vallen en ze zien dat hun vader misschien wel een grotere held is dan de man die in één schot een hondsdolle hond neerlegt, hoeft hij daar in ieder geval voor hemzelf nooit meer om te vragen.

Als advocaat heeft hij de verdediging toegewezen gekregen van een Negro die beschuldigd is van verkrachting. Hij vindt dat zijn taak als opvoeder inhoudt zich als een goed mens te gedragen. Hij weet dat alleen “a” zeggen niet genoeg is om het tij te keren en zich los te maken van de goede mensen, die door niets te doen het kwaad laten triomferen. Hij weet dat als puntje bij paaltje komt om de i van integriteit te vormen, de rest van het alfabet moet volgen. Uiteindelijk gaat To Kill a Mockingbird niet over een man die zich zijn verantwoordelijkheid bewust is, maar over de verplichting die hij voelt om zijn kinderen de dreiging en de problemen aan te doen van de gevaren en nadelen die daarvan het gevolg kunnen zijn. Het verhaal loopt nogal Tom Sawyer-achtig af met een moordpoging in het donker, die verijdeld wordt vanuit een eigenlijk verwachte hoek.

Maar dat weet jij natuurlijk al sinds je eindexamenjaar.

De gemeente schrijft dat ze graag van mijn aanbod gebruik maakt. Ik moet mijn telefoonnummer sturen, dan nemen ze binnenkort contact op.

Er zijn natuurlijk duizend redenen om geen vluchtelingen in huis te nemen. De eerste is misschien wel, dat je kinderen je absoluut geen held vinden als je hun kamer aanbiedt als woonruimte voor anderen. Ze balen ervan dat ze hun hele jeugd, die aan punaises de schuine muren boven hun bed decoreert, moeten weghalen en in kartonnen dozen stoppen. “We weten dat het politiek niet correct is,” zeggen ze, “maar het is gewoon rete-irritant om je kamer te moeten ontruimen. En waar moet ik mijn zooi dan laten? En als ik mijn fiets wil pakken, moet ik dan buitenom? En heb je aan de wasmachine gedacht?” Voor hen is dit het zoveelste geval van de vermoeiende moeder, die zo nodig iets goeds moet doen, het meest nog om haar eigen geweten te sussen. De tweede is, dat het inderdaad lastig is. Er moeten nieuwe deuren komen. We kunnen onze oude kranten en lege flessen niet meer kwijt, en, nou ik erover nadenk, onze logés ook niet. De derde, dat het bedlinnen tussen de sportspullen in onze overvolle kledingkast moet worden gepropt, waar het de nimmer volprezen geur van appeltjes en een zonnige najaarsmiddag onmiddellijk zal verliezen. En dan staan straks die vluchtelingen ook nog sigaretjes te roken op mijn terras.

De goede reden om toch onderdak te bieden aan mensen die in een situatie verkeren die ze zelf niet gekozen hebben, is dat het leven daarom gaat. Als je niet deelt, ben je alleen.

Nu is het vrijdagavond aan mijn keukentafel. De dag loopt op zijn einde, het licht ligt gefilterd over de heg, en er wacht mij een avond met Netflix. Het tweede boek van Harper heet Go Set a Watchman. Het ligt op mijn nachtkastje.

B

Wandelmaand

Het regent in elk geval niet als ik opsta, de zaterdagochtend van ons wandelweekend, en dat is geen verkeerd begin. Tegen mijn slechte gewoonte in rijd ik zo vroeg weg dat ik zelfs mijn zoon, die zijn grote lijf snel op de valreep op de achterbank heeft gewurmd, nog op tijd voor zijn werk in de stad kan afzetten. De andere dames hebben voor koffie en accessoires gezorgd. Terwijl we rijden en kletsen zoals alleen vrouwen dat doen, bedenk ik hoe onze bijdragen aan dit wandelweekend ons tekenen. Ik heb mijn zaken meestal veel te optimistisch gepland, maar zorg ervoor dat iedereen gemobiliseerd wordt, en dat we er komen. S. heeft twee thermosjes mee: één gevuld met koffie mèt melk; één met zonder. Bovendien heeft ze opvouwbare kopjes opgevouwen ingepakt, slechts twee, want de andere twee kunnen uit de schroefkop drinken, en ze heeft natuurlijk natuurvriendelijke roerstaafjes meegenomen, die wij zó in het dennenbos kunnen flikkeren. L. heeft broodjes bij zich. Die zijn groot, zacht, en warm, net als zij. Nog vóór wij de snelweg bereiken riekt mijn auto overheerlijk naar geborgenheid, overvloed en de zolder van de bakkerij waar ik vroeger speelde.

Met E. hebben we afgesproken bij het eindpunt van onze route, en nadat ze haar auto heeft afgesloten en haar rugzak achterin de mijne op die van ons heeft gelegd, rijden wij naar de start. De logistiek is voor elkaar. Ondertussen vertelt E. over haar tocht van de afgelopen zomer door Schotland. We bewonderen haar outfit bijna nog meer dan haar ervaring. Belangrijk is, zegt E., om niets aan het toeval over te laten. Pas dan kun je echt alles loslaten op zo’n tocht. Ik krijg het ineens erg warm. Als ik de auto geparkeerd heb bij het Aquacenter in Silkeborg, ga ik daar toch maar even vragen of ze misschien een kaart hebben van de wandelroute. Het meisje achter de balie verzekert me dat het echt niet moeilijk te vinden is. De route is goed aangegeven met bordjes.

We laten ons als overrijpe Roodkapjes het bos in leiden door een paar ginnegappende knullen, die er met hun verwilderde haar, stoere schoenen en versleten rugzakken betrouwbaar uitzien. Ik vind het nu al leuk. E. zegt niets, maar ik ken haar goed genoeg om te weten dat ze in gedachte al een “Ik zei het toch…”- constructie prevelt, omdat de ontbrekende kaart ons zeker het bos in gaat sturen. Door de hoge sparren werpt de zon zijn gouden zoeklichten op het pad. Gelukkig krijgt het vriendelijke meisje van het Aquacenter al gauw gelijk, want bij de eerste tweesprong ontmoeten wij De Blauwe Man. En die zegt welke kant we op moeten. Het pad is droog en goed begaanbaar, en onze jassen gaan uit. We hebben er een stevig tempo in. Ik krijg zin om een liedje te zingen. Misschien doe ik het ook.

Door bos en wei, langs ruisend struikgewas en over kabbelende beekjes gaat onze weg. Wij praten, en denken na over het leven. Dat was immers het doel toen onze wandelclub kortgeleden werd opgericht op Facebook. Ik had er een artikel bij up-ge-load over hoe wandelen de geest verruimt en het lichaam dient. Wandelen verrijkt zogezegd het leven. Wij drinken koffie op een boomstronk, genieten op een bankje van een adembenemend uitzicht terwijl we zuchtend onze tanden zetten in de lekkere verse broodjes, en vlak voor het eindpunt bezwijken we voor een terrasje aan het water, waar we in een hoekje mogen zitten omdat de rest is afgehuurd voor een trouwerij. De bruid draagt een leren jasje over haar jurk tegen de opkomende avondkilte, en haar nieuwbakken man heeft haar in de houdgreep voor een selfie.

We zijn echt heel erg moe als we aankomen bij ons hotel. Ik heb een paar fikse blaren, en S. heeft zich laatste kilometers zorgen gemaakt over haar rug. Ik ben eigenlijk nogal geschokt dat een dag wandelen tegenwoordig zo veel van mij vergt. Na een groot glas bier in de lobby zijn we onze problemen vergeten, en als we later schoon gedoucht aan ons hoofdgerecht zitten, zijn we het er roerend over eens dat wij dit heerlijke eten vandaag verdienen. En dat we onze leven moeten veranderen van één lange to-do list in een hopelijk net zo lange to-be list. Kijk. Wandelen verrijkt het leven.

Als ik de auto de volgende dag de oprit opdraai, heb ik bijna veertig kilometer in de benen, en ben, zoals het liedje zegt, moe maar voldaan. Maandag weer op mijn werk voel ik dat ze nog wat zwaar zijn, maar dat is dan ook alles. Een goed lijf is een luxe. Terwijl ik ’s avonds sta te koken belt mijn man vanuit de file dat het later wordt. Ik begrijp hem niet goed. Hij komt toch vanuit Duitsland rijden? Er is toch nooit verkeer in Zuid Jutland?

Hij legt het kort uit. Er is chaos en stampij. Ik moet de TV maar aanzetten. Er lopen duizenden vluchtelingen over de snelweg. Die zijn onderweg naar Zweden, want ze mogen hier niet blijven. Ze houden een wandelmaand.

Wandelmaand